Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der geloovigen in de wereld zijn. Dit moet zijn hun godsdienst, hun dienen van God, hun eeredienst voor God in de wereld. In het o//er ligt het geheim van heel den dienst van God. Er is geen dienst van God, geen eeredienst buiten het offer. Het zoenoffer gaf God Zelf in den Heere Jezus Christus. Maar dit zoenoffer strekt, om het volk des Heeren zelf Gode als een wijdingsoffer, als een offer van zelfwijding toe te brengen. Gelijk het zoenoffer en het priesterschap van Aaron in Israëls schaduwachtigen dienst ook strekken moest, om heel het Israël een priesterlijk volk Gods te doen zijn, dat in zijn dank- en lofoffers, in zijn eerstelingen en in zijn eerstgeborenen zelf zich den Heere wijdde, en Hem in heel zijn bestaan en leven dienstbaar was en verheerlijkte, — zoo strekt het waarachtige zoenoffer van den Heere Jezus Christus, om heel de Gemeente van Christus als een priesterlijk volk Gode te wijden, opdat het den Heere geestelijke offeranden zou offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.

Dit is de redelijke godsdienst, de redelijke eeredienst, die Gode van Zijn menschheid moet worden toegebracht. Niet door zilver of goud, niet door offerdieren, niet door tempels met handen gemaakt, niet door uiterlijke ceremoniën moet God gediend worden. God is Geest, en Hij moet worden gediend in geest en waarheid. Hij moet gediend worden door het redelijke, welbewuste, geestelijke menschenleven, dat zich Hem wijdt en dienstbaar stelt; door het leven, door het menschenleven ja, maar door het redelijke, welbewuste geestelijke menschenleven.

Dit geestelijke menschenleven is de offerande Gods, die leven is, heilig en Gode welbehagelijk. Het leven, het menschleven moet God verheerlijken door zich Hem te wijden en Hem te dienen. Maar het moet dan ook waarachtig levend zijn, geestelijk levend, boven het stoffelijke zinnelijke verheven, heilig, den Heere zelf naderend in aanbidding, zich Hem in liefdeovergave wijden, met Hem in gemeenschap, door den Heiligen Geest, Hem welbehagelijk.

Zóó moeten de geloovigen naar hun roeping in het geloof zichzelf met hun eigen leven Gode ter eere ten dienste wijden, zich offeren. Zij moeten zich zoo ten offerande stellen. Hun levenskeus en voornemen, hun belijdenis en hun leven moet zijn, zichzelf zoo Gode door de genade des Heeren als een levend offer toe te brengen. En zij moeten zoo hun lichamen Gode stellen, tot een levende heilige Gode welbehagelijke offerande in redelijken, welbewusten geestelijken dienst der eere.

Want zij leven in het lichaam, naar Gods bestel in Zijn Schepping en in Zijn genade. Zij leven niet slechts verborgen geestelijk, al is

Sluiten