Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beuzel daarvan hebben veroordeeld en het lichaam den naam van gevangenis en grafmonument hebben gegeven, bewegen zich eeuwig in den hooge, wanneer zij, als uit een kerker en graf ontvloden, op lichte wieken omhoog in den aether zweven".

Dat klinkt bizonder dichterlijk, maar zegt ons weinig meer. In de Oudheid was dit anders. Philo is hier in de voorportalen van wat voor talloos velen heilige overtuiging was. Deze theorieën over een voorhistorie der ziel en over mysterieuze wetten van een soort geestelijke zwaartekracht schenen den zegen te hebben van Plato — yoor de Oudheid, ook voor de Kerkvaders, de religieuze philosoof bij uitnemendheid! Hun prestige was veel grooter dan wij thans nog kunnen navoelen.

Daarom is het zoo belangrijk, dat Paulus in dit opzicht niet is een kind van zijn tijd. Van al deze dingen wil hij niet weten, reageert er niet op, spreekt er niet over. Niet menschelijke activiteit, maar Gods activiteit, niet zelfverlossing, maar verlossing is wat hem gegrepen heeft. En door die vizie geleid dringt hij door tot uitzichten, die zoo wijd zijn, dat hun horizon ook de onze is.

Ongetwijfeld heeft Paulus ook in zijn beschouwingen over den mensch en de hem omringende natuur wel bizondere voorstellingen gekoesterd, waarover hij slechts spreken kon onder „volmaakten", die in staat waren zulke „kennis" te beoordeelen op haar schriftuurlijke gronden. Om eenigszins te kunnen gissen wat dat geweest kan zijn, zal men zich moeten inleven in de geestesgewoonten van de oudste schriftuitleggers onder de rabbijnen. ( _

De wonderlijke uitlegging van de „geestelijke steenrots" in I Cor. 10 : 4, of die van Hagar in Gal. 4: 24, 25 was voor den grooten kring der lezers bestemd. Wat dus in „deskundige" kringen, óók voor Paulus, als wettige „schriftuitlegging" verder nog gelden kon, zou ons wel eens even wonderlijk kunnen toeschijnen als wat Philo op zijn weg heeft meenen te vinden. Maar Paulus concentreert zich op het fundamenteele. Dat is — tot op heden, en juist in het, heden — zijn reformatorische kracht.

En daarom bleef zijn denken aangaande mensch en natuur Joodsch d.w.z. Oudtestamentisch en eschatologisch!

Sluiten