Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den mensch in tweeën scheurt. Alleen op zijn hoogere helft komt het tenslotte aan. En die helft heeft hoogstens tot haar eigen veredeling met de wereld iets te maken. Het „ik" wordt niet overwonnen. Het blijft altijd „mijn" adel, die tot edele daden, gedachten, gevoelens drijft.

Bij Paulus daarentegen is de mensch een eenheid: niets meer dan een schepsel, maar dan ook niets minder dan een schepping Gods. Hij heeft geen adel, dien hij niet gekregen heeft door dien Wil. Hij heeft geen „wezen" of „natuur", die uit zich zelf onvernietigbaar zou zijn. Hij staat niet boven de „wereld" en hij behoeft niet Gods laatste woord te zijn.

Maar God heeft in Zijn plan eene bedoeling met hem, hier in deze schepping en straks daarna. In de ontzagwekkende Divina Commedia der wereldhistorie heeft — voorzoover ons dienaangaande iets is geopenbaard — de menschheid te midden van andere geestelijke machten een plaats en een taak. Paulus heeft daarover gedacht, gesproken ook wel, maar met grootschen eenvoud beperkt hij zich in zijn brieven tot wat dienstig is voor zijn apostolische taak.

Hij wijst er b.v. een en andermaal op, dat niet aan hoogere wezens, maar aan den mensch openbaringen gegeven zijn over Gods heilsplan. Tot den mensch heeft Gods liefde zich gewend. Tot hem is de Christus afgedaald om mensch te worden. En het einddoel van het verlossingswerk is een nieuwe menschheid in een nieuwen kosmos.

In dat verband heeft het leven zin en dient de geschiedenis één grootsch doel. Zoo vindt het besef van waarde, dat den mensch eigen is, zijn plaats in het geheel. God als Wil, de kosmos als schepping, de mensch geen „goddelijke ziel", maar een door Gods wil gevormde eenheid, dat zijn grondtrekken van het evangelie, zooals Paulus het verstaat. En dat evangelie is, dat de goddelijke Wil zich in liefde heeft ontfermd en in Christus de mogelijkheid schept, dat menschen omgeschapen worden om in te gaan in een toekomst, die den naam van Koninkrijk Gods zal mogen dragen.

Sluiten