Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beteekenis, die met de nuance, welke Tertullianus bij het woord „sacramentum" bewust heeft opgemerkt fAd Mart. 19, 24), eenige overeenkomst of althans aanraking vertoont. In het Grieksche Oude Testament beteekent het n.1. een staatsgeheim van den Koning of diens raadsvergadering: datgene wat deze van plan is te volvoeren. Wanneer er dus van God gesproken wordt, beteekent „mustèrion": Gods verborgen raad, Gods heilsplan, zoowel in opzet als in uitvoering. In dit begrip schuilt dus altijd als eerste gedachte het initiatief en de activiteit van den goddelijken Wil. Als tweede treedt dan op datgene of diegenen, waarop die activiteit Gods betrekking heeft. Eerst in de derde plaats — immers als van zelf sprekende bizonderheid — komt de gedachte van het geheim, dat deze zaken, voorzoover God ze niet heeft geopenbaard, omhullen blijft. De notie van geheimzinnigheid is eerst in de allerlaatste plaats aanwezig.

Dat er door zekere mysterieuze handelingen een geheimzinnige „kracht" kon worden meegedeeld, was voor de ingewijden in de mysterie-godsdiensten hoogstwaarschijnlijk een vaststaande overtuiging. Of de Joodsche wereld in Paulus' dagen echter precies zoo gedacht heeft over haar religieuze wasschingen en hare offerhandelingen, is een tweede. Dat is allerminst zeker. Wel is zeker, dat men meende, dat demonische invloeden zich als een soort fluïde konden hechten aan allerlei, dat uit de heidenwereld kwam en dat dit fluïde dus deze menschen of voorwerpen in hooge mate „onrein" kon maken.

Het omgekeerde echter is ons minder bekend. Dit zou n.1. zijn de mededeeling door uiterlijke handelingen van een soort heiligheidsfluïdum. Alleen in zeer exceptioneele gevallen, b.v. bij de zalving van een koning of een hoogepriester, zou men deze gedachte ter verklaring der gegevens kunnen gebruiken.

Wanneer men nu, gelijk b.v. Hatch in zijn „Essays in Biblical Greek" heeft gedaan, het spraakgebruik van het Nieuwe Testament bij dit licht onderzoekt, blijkt het, dat de Oudtestamentische beteekenis van het woord, op zeer enkele uitzonderingen na, in het Nieuwe Testament de regelmatige is.

Het komt 28 keer voor. Daarvan vallen 21 plaatsen in Paulus' brieven, 4 in de Openbaring en de overige in één text, die in de drie

Sluiten