Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neer wij het woord in het dagelijksch leven bezigen, nemen wij het over uit de religieuze sfeer. Dat overnemen beteekent ook in den regel een neerhalen. Precies andersom is het met het Grieksche woord, waarvan Paulus zich heeft bediend. Hamartia is een woord van het dagelijksche leven, dat hier opgeheven is in een hooger verband. Het bleef ondertusschen in de groote buitenwereld — en natuurlijk ook binnen de Christenheid — zijn alledaagsche en onmisbare beteekenis behouden.

Het werkwoord „hamartanein" en het zelfstandig naamwoord „hamartia" beteekenen n.1. het doel missen, niet slagen, zich vergissen, of, wanneer men het niet over handelende personen heeft, verkeerd uitkomen.

Die notie is dus altijd mede in het spel. Een Griek, die het woord „hamartia" hoorde, dacht daarbij dus niet in de eerste plaats aan God öf Zijne ordeningen, maar aan de mogelijkheid van vergissing of mislukking, die aan alle menschelijk handelen verbonden is.

Wat Paulus dus, in schijnbare tegenspraak met zijn vorige uitspraak, bedoelde met de woorden x) „die niet naar het .vleesch' wandelen" en met dat „vrijgemaakt zijn van de wet der zonde en des doods", is geen tegenstrijdigheid meer, zoodra wij losgekomen zijn van die eenzijdigheid, waarmede het Nederlandsche taalgebruik in zake het woord „zonde" ons uitsluitend denken doet aan de verhouding van den mensch tot Gods recht. Wat hij bedoelt en in Rom. 7, 25 als tegenstelling van de beide sferen formuleerde, wordt in 8, 1 niet ontkend of verzwakt. Hij herinnert er slechts aan, dat die ,wet der mislukking' practisch niet blijkt te heerschen, wanneer de Geest zich van woorden of werken der menschen bedient. Dat hangt echter niet van het goedvinden of de keuze van dien mensch af. Het is de uitzondering, die den regel bevestigt. Zónder het initiatief van den Geest n.1., blijft voor den mensch —ook al is hij „in Christus" — gelden wat Rom. 7, 25 uitsprak, dat hij met zijn bewusten geest onderworpen is aan een ,wet van God, doch tegelijk in zijn overig bestaan onderworpen is aan de macht van een ,wet der hamartia'.

Zoo blijft dan de nood, die als een kreet zich uit in Rom. 7, 24: „ik

1) In den Griekschen text, dien wij thans lezen, staan de woorden „die niet naar het vleesch wandelen, maar mar den geest" niet meer. De St. Vert. berust n.1. op betrekkelijke jonge handschriften. Voor de lezing dezer handschriften bestaan echter hier ook oudere getuigen. De text, dien onze uitgaven thans lezen, is schijnbaar minder moeilijk. Uit het bovenstaande blijkt wel, dat ik er niet geheel van overtuigd ben. dat hij de oorspronkelijke is.

Sluiten