Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XI

In het begrip „handeling", in de schilderkunst, ligt door den aard der kunst zelve, een beperking opgesloten. Alle schilderkunst met „handeling", die zich van het waarneembare uit verinnerlijkt, en iedere „actie" die zich van het innerlijke uit noodig heeft te veruiterlijken, brengt verlaging en verslapping van schoonheid. Wat voor begaafde kunsthistorici van heden, in Giotto als grootheid geldt: dat de Florentijn zijn gestalten het leven1), gebaren het spreken; dat hij compositorisch, verhoudingen in onderwerp en geval, klaar weergaf, — dat zal bij toekomstige beoordeelaars, die met „actie" iets geheel anders bedoelen, iets oneindig veel diepers en innerlijkers dan de beschouwers van vroeger en tegenwoordig, later juist tégen hem gelden als een zwakheid en een scheppings-machteloosheid.

Het groote, het bhjvende in Giotto's arbeid, bestaat niet in „handeling", niet in „sprekende" gebaren zijner figuren, niet in lossere, vrijer gestyleerde natuurlijkheid zijner gestalten, doch in zijn verwerping van het leegoostersch ceremonieel, van het versteende in de Byzantijnsche kunst; bestaat in zijn uitwissching van Byzantijnsche vormen en conventiën2). Cimabuë (Giovanni

x) Goethe verklaart:. . . voor de gestrenge oordeelaars „ist nur freilich der alte, christliche Giotto rait seinen langen, steifen Figuren, Proportions- und Zeichnungsmangeln und Sünden wider die Perspektive ein Argernis".

Over het Avondmaal van Giotto in vergelijking met Da Vinei, oordeelt Goethe ook al niet gunstig.

Voor kunsthistorici vindt hij Giotto's uitbeelding waardeerbaar, wijl zij ons de gelegenheid geeft te zien hoe Giotto zich het gegeven van het „Avondmaal" indacht. . . „jedoch mit kindlichen, den schweren Aufgabe noch „nicht gewachsener" Kunst seinen bessern Absichten und Bestrebungen zurückbleiben musste."

Goethe over „La Cena, Pittura in Muro di Giotto", enz.

2) Zou Giotto inderdaad, waarlijk zulke „ongebonden opdrachten" gekregen hebben, om muren geheel vrij naar zijn inzichten te beschilderen, gelijk Prof. R. N. Roland Holst meent in zijn „Studiën over de monumentale schilder-

Sluiten