Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maalde den „waardigen" criticus-van-het-vaak-killebreinwerk tot gruis.

Was Balzac, — in wien een beetje wanstaltig het melodramatische detective-bloed van Vidocq natintelde, — wel ooit een hteratuur-criticus in hoogeren zin, zooals Barbey d'Aurevilly verklaart van Sainte-Beuve?:

„Elle (literatuur en critiek) a été pour lui une bri Spette maitresse et la maitresse s'idéalisant, est devenue sa meille ie amie".

In „Promenades littéraires" V, brengt Bemy de Gourmont een oordeel van Théophile Gautier over critici in het algemeen. Gautier duldde nl. geen aanvallende critiek van een schrijver...

| „qui n'a pas au moins tenté 1'oeuvre littéraire, qui n'a pas 1'expérience de la création, qui n'a jamais exprimé ses idéés que directement, sans oser leur donner une forme vivante".

Hij vergeleek ze

^„a ces duellistes qui n'accepteraient le combat que munis d'une solide cuirasse; mais au lieu de 1'être d'acier ils ne seraient cuirassés que de néant et 1'adversaire ne saurait les atteindre au coeur, a 1'oeuvre, puisqu'ils n'en ont pas".

Behoort de constitutioneele Faguet tot de creatieve oordeelaars, toen hij uitriep:

„Tout le monde tombe d'accord que Balzac écrivait mal".

Of bleef hij „a typical member of the middle clas" (Edmund Gosse in zijn „Aspects and Impressions" p. 215)

O, het Bomeinsche Imperium der Fransche vonnissers, dat in een kruidenierswinkel uitmondt.

II

Onstuimige Balzac voldeed, toen hij critiek begon te schrijven, aan Gautier's eisch. Laat in 's hemelsnaam

Sluiten