Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Balzac, is een gulzigaard, een geestelijk vraatzuchtig weetmonster, die b.v. het „Traité de la lumière" van HerscheU met wild gerucht besnuift, zijn neus opkrult en durft aanvallen; nu ja, niét als de physicus Hehnholtz, die met ruimte-aanschouwing, met waarnemings-aggregaat, met geometrie en mechanica goochelt. Maar toch, als oorspronkehjke doorschouwer, al wist hij toén nog niets van trillende en ontrillende intervallen. Gij kunt Balzac's oorspronkehjk stukje vinden in „Le feuilleton des journaux politiques" van 17 Maart 1830. Hierin bespreekt hij hoogst opmerkelijk het „Traité de la lumière" van Herschell. Stel je voor, de kranke vermetelheid van een romanschrijver, die zoo maar de moskee van een wetenschappehjke grootheid in brand steekt! Maar Balzac is ook vol daemonie, een soms af stootehjke daemonie die uit zijn megalomanisch wezen moet worden verklaard1). Hij, Gourmont, met zijn fihgrain proza (vaak woordentunnels, donker en vochtig) en zijn vergelijkende grammatica-studies2), wordt over den kop geloopen, en déze grofsmid der epiek, deze „chasseur de chevelures"

») Als voorbeeld van deze bijna walgelijke en tegelijk Rabelaisiaanschargelooze vermetelheid, geef ik hier De Goncourt het woord: „Balzac dit, un certain soir, dans une soirée de Gavarni: „Je voudrais un jour, avoir un nom si connu, si populaire, si célèbre, si glorieux enfin, qu'il m'autorisat. . ." Figurez-vous la plus énorme ambition qui soit entrée dans une cervelle d'homme, depuis que le monde existe, I'ambition la plus impossible, la plus irréalisable, la plus monstrueuse, la plus olympienne, celle que ni Louis XIV ni Napoléon n'ont eue; celle qu'Alexandre le Grand n'eut pu satisfaire a Babyion, une ambition défendue a un dictateur, a un sauveur de nation, a un pape, a un maltre du monde. II dit donc simplement Balzac: ,,. . . un nom si célèbre, si glorieux enfin qu'il m'autorisat. . . a p. . . dans Ie monde, et que le monde trouvat ga tout naturel". (De Goncourt „Journal" I, p. 111).

Merkwaardig dat Les Goncourts zulke dingen noteerden en uitwerkten. Staat dit ook in verband met hun „prédisposition névropatique", waar Gimert Seillière, in zijn boek: „Les Goncourts Moralistes" een afzonderlijk hoofdstukje aan wijdt?

') Prof. A. G. van Hamel wijst op Gourmont's belangrijkheid als aestheticus en taal-ontleder, in zijn derde serie „Studies en schetsen". Zie ook wat Van Hamel schrijft over Gourmont's houding tegenover de prosodie van het vrije vers en die van André Beaunier.

Sluiten