Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen woordeke rept. Vondel, keerkjke sprookspreker en vaerzen-mythologist, vermockt ket grondeloos instinct van zuivere menschelijkkeid, in dezen onversckimmelden volksdichter, „ongheleerde Lekebroeder", niet te keuren. Verwey, die Breêroo zoo koog bewonderde, verklaarde reeds: „Elkanders uitersten zijn Vondel en Breêroo".

Bredero, oneindig meer dan Samuel Coster —want die bleef „rketorisyn", — is Ziener van de macktig-rumoerende stad; is beelder van stadsmenscken-in-atmospkeer, van ket weemlende volk in kernige en nervige geaardkeid; van roekeloos-woehge schepselen die bij veemen-oproer of geweld op oude bruggen, drom bij drom saamdringen, om onder schaduw-duistere poorten, weer stil-grilhg te verdwijnen. Bredero is beelder van loerende kroegloopers die havenend elkaar beveckten en verminken in krocktdonkere sloppen; van pronkzieke feestvierders en uitgelaten stoeiers — waaronder zelfs edelen en ridders, — dansend op lier en doedel, in breede, doorjoelde avondstraten, duivelsch belicht door flakkerende teertonnen en turken. Hij is beelder van riviervisckmarkt bij kaarsengloed; van sckepselen die zahgjes kuieren of blommen plukken op loovergroene Cingelgrackten, onder zangrig klokgelui in den heven zonnigen Meimorgen; van kinderen die spelletjes uitkrijten op kooge wallen of kackelijk baldadigheden uitdenken onder somber-overwehde sluizen, en hartstochtelijke dobbelaars aan kroegworptafels, of goockelaars, breukmeesters, kwakzalvers en kreupele bedelaars-op-krukken johjtend nabootsen in gang, stem en gebaren.

Als knaapje reeds stortte Gerbrand ziek in ket gedruisch van groentemarkt, vleesckkal, visckkal; rende kij tusscken glanzige fruit- en vogelen-uitstallingen en kraste kij misschien wel guitig-beeldende scheldnamen in

Sluiten