Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dïjnen, die door de spits toeloopende lichtstreepen der kieren in tweeën gespleten zijn, de stemmen der feestvierenden. Langzaam slentert hij de verlaten gracht af, gaat door smalle, kokerachtige steegjes, waarin zijn schreden luider en scherper klinken, alsof hij op een metalen bodem loopt. Van de toren der Oude Kerk slaat het drie uur. Zijn jeugd is voorbij; een levensperiode werd afgesloten, een nieuwe begon.

Eens, als in kille, dampige morgen de zon over de stad opgaat, zit hij huiverend op een bank in een plantsoen. De torens van het Centraal Station vangen de eerste, schuin-opgaande zonnestralen en glanzen alsof zij van metaal zijn. De nevel in het waterbassin voor het stationsgebouw wordt doorschijnend en trekt langzaam op. Boven zijn hoofd, op natte takken, die druppels laten vallen, tjilpen de eerste vogels. Naast hem, op de bank, ligt een oude man, die slaapt met geopende mond, waaruit de adem droog-krakend ontwijkt. Transparant blank, als zilverige vischschubben, is het witte hoofdhaar boven het grauwe van rimpels doorgroefde en met baardstoppels bedekte gelaat. De wangen zijn als de oppervlakte van een door aardbevingen verwoest land. Een slapende grijsaard, in zielige verlatenheid onder een druipende, open hemel, en een stad met zooveel woningen en zoo-

Sluiten