Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en aan de strijd der arbeiders, 's Avonds, in Eikebooms kamer, hangt een koortssfeer van rookende en luidruchtig pratende mannen, die soms vloeken en met hun vuisten op de tafel slaan. Het gaat alles om de rechten der verdrukten. Aan de wand hangt een plaat van de revolutie met een in een vuurroode jurk gekleede vrouw er op, die een klein beetje op Betsy gelijkt. De woorden der mannen wapperen soms als de vlag op de plaat. Dan moet hij aan barricaden denken en hoort hij het knetteren van geweren. Eikeboom heeft hem uitgelegd, dat het gaat tusschen menschen zooals hij en Peter, aan de eene en tusschen menschen, zooals Banning en oom Arnold, aan de andere kant. Waarom mag Bernard, die dommer dan hij is, met zijn hersenen denken, terwijl hij ijzer slijpen moet, bij welk werk hij de kans loopt, dat zijn kop verpletterd zal worden? Hoewel alles hem nog niet geheel duidelijk is, voelt hij dat Eikeboom gelijk moet hebben en hij weet, dat hij zijn kameraden helpen zal als er gevochten moet worden. Dan komt de groote werkstaking van 1903; de wijsvingers in de manometers vallen terug, de vuurcirkeltjes om de amarilsteenen dooven en boven de hooge fabrieksschoorsteenen zijn de donkere rookwimpels verdwenen. De arbeiders loopen met hun handen in hun zakken door de straten, waar gepatrouilleerd

Sluiten