Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schuldig bleef, straks nog geven zal. Men staat in de oude machinekamer, waar twee groote dynamo's, door middel van twee bundels polsdikke hennepkabels, door stoommachines worden aangedreven. Het spel der deinende koorden, die rustig door de uithollingen van het jachtwiel glijden en naar elkander toekomen bij de kleine pulleys van de dynamo's, die een zingend draaiend anker in hun holle buiken hebben, schijnt onschuldig en gevaarloos. Men heeft een gevoel, alsof men een der wiegende touwen maar te grijpen heeft, om de heele machinerie tot stilstand te brengen. Natuurlijk weet men, dat de kracht die de snaren voortbeweegt, groot genoeg is om een trein van honderd waggons voort te trekken, maar de machine ziet er zoo rustig en onschuldig uit, dat men herhaaldelijk aan haar macht twijfelt. Totdat zij op een wreede, verbijsterende manier toont, tot wat zij in staat is. Eikeboom, de machinist van de centrale en hij praten met elkander. Zijn vriend staat met zijn rug naar de dansende touwen gekeerd, zal juist iets gaan zeggen en heft daarbij, naar gewoonte, zijn hand op, om zijn woorden door een gebaar te onderstrepen. Op dat oogenblik glijdt hij uit de kleine groep weg. Hij loopt zonder zijn beenen te bewegen en het is alsof hij zweeft. Nog houdt hij zijn hand in de hoogte, alsof hij iets wil gaan zeggen, nog wachten de twee men-

Sluiten