Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voelt het aan den snelleren klop van zijn hart, een ongekende vaste kracht jaagt door zijn ziel.

Elza... Zijn gedachten gaan te gelijk naar het meisje van het Wazinghuis. Ja, hij houdt van haar, hij houdt van haar met alles wat in hem is, hij zou het kunnen roepen, kunnen uitschreeuwen over de weiden om het aan de boomen en aan de einders te doen verstaan. Hij neemt haar opeens geheel op in zijn warme ziel met haar voorbije kinderjaren en hare toekomstige dagen, zooals deze milde zon én den komenden avond, én het Hilleland, én de heele wereld omvat in haar warme licht en haar verborgen gloed. Hare afwezigheid van het Wazinghuis, dat hem straks daardoor nog zoo doodsch en verlaten voorkwam tusschen zijn groene boomkruinen, schijnt hem nu zonder beteekenis, uit den tijd gerekend, want nooit heeft zij hem nader gestaan als thans.

Als hij door den tuin terug naar de hoeve stapt, ziet hij zijn moeder op het hof onder de notenboomen zitten, en Fiele, die zoo juist opstaat en naar haar huisje toegaat. Het toevallen van het houten hek doet de hoevevrouw opkijken, als hun blikken elkaar ontmoeten komt er een glimlach om hun mond.

— « Ik kom wat bij u zitten, moeder. »

— « Dat is heel vriendelijk, mijn jongen. »

Hij gaat zitten op den stoel die naast haar zetel staat. Ze blikken een poosje over den tuin naar het open ruim van de zonnige beemden. In de kruinen van de notenboomen boven hun hoofd speelt het warme licht, met iets van de stilte en de blijde plechtigheid van den zondag zelf, en in de schaduw op den grond is een lichte gouden weerglans Op het dak boven den paardenstal zitten de duiven roerloos naast mekaar. De hennen pikkeren langs de stallingen. Ergens boven de weiden fluit een vogel, een zeer dun gepiep, één toon. Het is zoo stil dat ieder geluid afzon-

Sluiten