Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de oude boeken zoo schoon als het land en de zon. In het Zuiden hebben de bergen en de dalen namen die warm zijn als de klop van een menschenhart. Uw voorhoofd is wit en licht gebogen onder de donkere haren. Uw wenkbrauwen komen naar elkander toe in een zingende lijn, op uw wangen is de eerste kleur van de rijpende vrucht, om den lokkenden gloed van uw rooden mond speelt het levensgeheim. Hoe heb ik die glanzende oogen niet nader aangezien toen gij bij mij waart! Hoe heb ik mijn hand niet laten gaan langs den rand van uw oor en langs de lijn van uw hals! En nu kan ik mij niet meer herinneren.... Ik zal met de tastende schaduw medegaan over de voren van het land. — Elza, in de vaste wetten van de eeuwigheid stond geschreven dat wij elkander zouden beminnen, zooals geschreven stond dat de zon door dezen dag zou gaan, en van het eekhorentje dat langs den boom klimt.

Broeders, ver weg in den grooten oceaan, op een

hooge rots, zit een eenzame witte vogel. Hij is van geen geslacht en kent geen ras. Eenzaam blikt hij over de verlatenheid van Gods eeuwige wateren rondom. En eenmaal in het jaar neemt hij zijn vlucht en vaart naar de wolken, over alle landen en alle volkeren der aarde, en waar zijn schaduw over de menschen gaat wordt in hun hart de liefde geboren

Ik weet niet welken weg ik gaan moet, Elza, ik

weet niet of ik op zal staan. Ik heb mijn tanden in het groene hout gebeten, ik heb met mijn nagels den grond verscheurd, ik heb met mijn voeten in de aarde gestampt. De allerbitterste smart is door mijn ziel gereten als de kouter van den ploeg door den grond. Waar zijt ge nu, waar zijt ge, die ik zoo onzeggelijk liefheb. Ik heb uw naam gesnikt in krankzinnige liefde, en ik weet niet, ik weet niet welken weg ik gaan moet.

Door de blaren van den lagen tak zag hij de bleeke nevels sluieren over het Hilleland, Het veld was leeg. De koeien keerden terug naar den stal.

Sluiten