Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeder en ik hebben de Donkelhoeve altijd beschouwd als ons tehuis, en we kunnen ons niet gewennen aan de gedachte dat hier vreemden zouden komen.... Ik begrijp anders wel dat het voor u niet meer gaat, Herman, ja, dat begrijp ik wel. »

Dat woord « vreemden » trof Herman. Daaraan had hij nog niet gedacht. Hij stiet het van zich af als iets volstrekt onmogelijks. Daar was iets in hem dat hij niet scheiden kon van de Donkelhoeve.

Achter hen lagen de schuren en het huis in zwarte vormen onder het doode licht van de maan. Het was zoo stil dat zij de waterdroppels van de boomen op den grond hoorden vallen. Het raam van de hoevekeuken was flauw verlicht door het vuur dat daar in den haard brandde. De grijze nachtnevel was nu duidelijker zichtbaar boven den tuin.

Ze stonden te gelijk op. Toen Herman de deur van het achterhuis opende hoorde hij Sep tegen den hond spreken.

Sluiten