Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weest lijk op dien avond. De menschen meenden dat ze de •tad gingen afbreken, ze hadden al de gaslantarens op straat uitgedraaid, en daar werden er al twee dozijnen in den bak gestopt voor dat het spel eigenlijk begon. Later in den nacht kon er dan ook geen een meer bij, 't zat vol. Hebt ge daar nooit hooren van spreken, Marieke ? »

— « Neen Kolonel... Waren er toen al gaslantarens? »

— (( Ja zeker, waarom zouden er toen geen gaslantarens geweest zijn ? » Met een kwade frons vraagt de Kolonel dat.

u Ons Mama zegt dat er 's avonds maar één gasbek

moet branden, maar ik vind het triestig... Gij niet? »

De Kolonel blikt tragisch naar den visscher van « Ostende — Reine des Plages » aan den wand vlak voor hem. Zoo n onnoozele geit als dat Marieke is... Maar zijn behoefte om voort te vertellen is hem te machtig.

_ « En mijnheer Florizoone van Oostende, Marieke, die nu minister is, dat was me een kadee. « Kolonel, zei hij 's morgens toen hij uit het pandoerenkot kwam, als mijn pere het verneemt, dan word ik op droog zaad gezet » — « Mijnheer Henri, zei ik, soyez tranquille, uw pere heeft hier in zijn tijd meer in den bak gezeten als gij het ooit doen zult. » — Ja ja, Marieke, dat was een schoone tijd. »

— « Ja Kolonel. » Marieke zucht.

— « En mijnheer Van Dam, van Geeraardsbergen, dat was me er ook een ! — « Kolonel, zegde hij op een keer, hier is mijn portemonnee, ge betaalt overal voor ons twee, en als ik val en niet meer op kan, draagt ge me naar huis. » —

Accepté, mijnheer Alphonse, zei ik, en we hielden het twee nachten en een dag daartusschen vol, zonder te vallen, en toen moest hij naar de begrafenis van zijn matant, te Antwerpen, en hij erfde een heel fortuin... Ja, Marieke, dat was een schoone tijd. »

Daar ligt weemoed in de stem van den Kolonel.

— « Zoo'n mannen als die mijnheer Alphonse zijn er nu niet meer, Marieke. »

— » Neen Kolonel. »

Sluiten