Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat het niet waar was en 't had ook in den morgen geregend. Kernelie deed juist of dat ze van toeten noch blazen wist en ik vroeg nog een borrel.

„Als ge misschien voor de huur komt, zei ze met heur valsche snuit, dan kunt ge weerom gaan van waar dat ge gekomen zijt. Ik ben op 't stadhuis gaan vragen, de arm menschen moeten geen huur betalen zoolang als 't oorlog is."

Ik meende dat het huis op mijn kop viel.

„Kernelie, zei ik, dat zijn allemaal flauw fontonten. Eigendom is eigendom, dat staat geschreven, en daar kan op 't stadhuis geen mensch iet aan veranderen. Ik moet toch ook leven."

„Ik betaal geen rooden knop, schreeuwde ze mij in m'n gezicht, en probeer nu maar eens om me op straat te zetten!"

„Niet betalen, Kernelie, kwam de kiekenpoelier er tusschen, niet betalen, alleman is gelijk als 't oorlog is en hij ziet er bagot rijk genoeg uit!"

Had 'm dat leste op een anderen toon gezeid dan had ik misschien een druppel voor dien ruigaard betaald. Ik wierd gewaar, dat die gemeene kadee kweddelen tegen me zocht en ik ging er van door.

„Goed, zei ik, dan zullen we eens gaan zien wat dat de huissiers daar van peizen."

„Goei reis en de wind van achter!" lachte Kernelie, en de kiekenpoelier deed er ook iet van 't zijne bij. Ik was zoo arrazig dat ik vast van zin was dien droes van een wijf op straat te doen zetten. Bij Stanne van Cutsem, mijn anderen huurder, vaarde ik niet beter. Die kwam met hetzelfde af en sprak zelf van me met klikken en klakken aan de deur te smijten als ik hem nog kwam lastig vallen, en te zeggen dat dit volk tien keeren meer geld verdiende dan ik.

Mijn hert was geen boon groot toen ik naar huis ging. Wat moest ik gaan doen zonder die huishuur?

Sluiten