Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huizen zagen me der allemaal te deftig uit. Op 't eind stond ik voor een staminee, In de volle F 1 e s c h stond er op de vitrien geschilderd, en daar onder: B ij T a m b o e r. Ik hoorde binnen iemand zingen. Een pint gaan drinken kan een mensch overal doen. Het waren allemaal nieuwe huizen in die straat, en ze zag er zoo verlaten uit precies of dat er daar niemand thuis was. Aan den overkant was een lange schutting en daar achter lag een veld, en 't was hier heelegansch buiten de stad, docht me.

Ik ging binnen en ik zette mij achter een tafelke, 't was een proper stamineeke met een grooten toog, en daar hing een print van de lutteurs en een van 't Wit Stoopke, die 'k vroeger bij Sefie Kievits ook gezien had. De vent dien ik had hooren zingen stond met zijn rug naar de stoof zijn pijp te smoren. Hij bracht me een pint en hij zei: „asteblieft", en hij ging weerom bij de stoof staan. Op 't eerste gezicht wist ik niet wat dat ik tegen hem zeggen moest, ik hield mijn eigen zoo deftig als dat 'k maar kost en ik zat recht op mijn stoel gelijk iedereen. Als ik van terzij eens naar hem loerde zag ik dat zijn oogen ook op mij stonden, en hij had een neus gelijk ik nog nooit gezien had. 't Zag er zoo halvelings iemand uit die de kiekens in den donker kneep. Hij stond met zijn beenen wijd uiteen, en tusschen zijn broeksband en zijn gilee zag ik zijn hemd, en hij vroeg zijn eigen zeker ook af wat dat ik bij hem kwam doen, zoo in den vollen achternoen en in een tijd van dieven en spioenen. Ik betaalde mijn glas bier met een briefke van twintig mark, en ik vroeg nog twee sigaren. Toen keek 'm wat gewilliger, docht me, daar hij zag dat'm niet met een landlooper te doen had.

„Op wandel, mesjeu?" vroeg 'm toen 'm mij 't geld weerom gaf.

„Eigenlijk niet, patron, zei ik, ik ben op zoek

Sluiten