Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II

AAN den voet van het hooge duin, op het uitgestrekte, glooiende vroonland speelt Floris met Arjaan. Zoo zitten ze zeker al een half uur tegenover elkaar en Floris kijkt met domme, jaloersche oogen naar de vlugge vingertjes van het kind, die een keten vlechten van paardebloemstelen.

Eerst zijn ze tijden lang bezig geweest met het plukken van paardebloemen. Tusschen het lage, geurende gras van het vroonland, tegen de oploopende bermranden staan die overdadig te bloeien en toen Arjaan zei, dat er genoeg waren, zijn ze daar onderaan het duin gaan zitten, het hoopje bloemen tusschen hen in. Tegenover elkaar. De gek en het kind.

Nu vlecht het kind een keten. Arjaan vertelt Floris, die met half-open mond luistert, dat Miene-van-de-meulen het hem geleerd heeft. - Die ken het eeuwig mooi... Floris knikt traag en zeer ernstig. Miene-vande-meulen kan het heel mooi. Gisteren - of was het eergisteren? - heeft hij haar een keten zien vlechten.

Sluiten