Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werkeloos in de stilte van het huis, als Arjaan buiten speelt, zonder aandacht voor de dingen, die gedaan moeten worden - en er valt altijd wel iets te doen - om later met eenen schok tot haarzelf te komen en zichzelf hare ledigheid te verwijten. Als zij zich dan afvraagt wat zij gedacht heeft, hoe het zoo zijnen aanvang had met al die uren van niets doen, dan weet Tanne Ingelse daar eigenlijk geen recht antwoord op. Zij weet alleen dat hare gedachten zwierven naar en rondom Gabe en het kind. Het waren vriendelijke en aangename gedachten, die haar vervulden met eene welhaast lichamelijke, behagelijke warmte. Dit gevoel heeft de vrouw nog nooit gekend. Het was altijd anders, maar nimmer zoo diep van vrede en gerustheid.

Indien er een mensch op het dorp was, die Tanne Ingelse goed kende in haren doen van alledag, dan zou die eene verandering in haar hebben bespeurd. Hare trekken zijn milder geworden. Zij heeft zoowaar bij tijden hare vriendelijkheid en hare oogen kunnen met den avond glanzen en diepe schaduwen hebben. Voor het eerst sinds langen tijd toeft zij des morgens voor den kleinen keuken-spiegel en den schaarschen opschik, die haar eigendom is - een zilveren colliertje, een broche - ligt niet meer in de linnenkast achter slot en grendel. Zij wrijft en schuurt hare handen, als het werk is gedaan, met steen en zand in de hoop, dat de diepe, donkere naden daarin zullen verdwijnen. En daar moet Tanne Ingelse soms zelf om glimlachen, want het is voor

Sluiten