Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lichamen aan hunnen voet. Drie zijn het er. Meer zullen volgen.

De zes gruwelijke dochters van Verhulst vooraan. Regen en zeewater druipt langs hunne gelaten. Uit de toeven slierten vochtige haren over hunne kaken, de doorweekte schorten plakken tegen en rondom de magere gestalten. De oude Gabriëlse mompelt zoowat in zijn eigen. Onverstaanbare woorden, onnoozele woorden en het kind van Brasser zet het op een verwezen krijten. Lein Lap, de dronken molenaar, bukt zich naar een stuk zeildoek; dat kan hij nog altijd wel in zijn bedrijf gebruiken en die zot van Kee van 't Achterom mikt met rotte, aangespoelde vruchten op een bint, die in zee drijft, met een hardnekkig geduld.

Zwijgend en volhardend staat het volk op zijne nuttelooze, doorweekte wacht. Daar en is geen hand, die nog vermag te helpen. De zee heeft hare taak afdoende verricht. De stormwind rukt en trekt aan hun norsche geslotenheid en het water verheft zich tot eenen nieuwen aanval. Hooger kantelen de golven met hunne holle, staalgrijze muren, luider en oorverdoovender dreunt hun geweld op de stranden, tiert schuimend en kolkend langsheen en tusschen de palissaden. De mast van de Hammerfest helt ter zijde...

- Daêr gaêt 'ie! gilt een hooge vrouwenstem. In den alommen daver van wind en water gaan haar woorden te loor.

Sluiten