Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gloed van harsige dennespanen in wilde flakkering laaide en doofde langs de ruwgesneden fel-gekleurde dier-gestalten der dragende hout-zuilen; langs de herte-geweien, schilden, speren, hangend tegen de ruige boomstammen der wanden.

„Machteloze armoede!" smaalde hij. „Een vorst der Bataven moest wonen in een stenen huis, met verwarmde vloeren, met waterbuizen en thermen. In dit land moesten geboogde bruggen, aquaducten, theaters zijn gebouwd! Wij leven nog als barbaren... Zijn wij niet de bondgenoten en vrienden der Romeinen? Marmeren beelden van onze goden moesten staan in breed-overwelfde tempels! 'Maar in onze donkere wouden liggen alleen ruwe offerstenen, overdekt door een schamele houten hut... Dat zijn de Germaanse heiligdommen!"

Angstig zag Verax zijn oom aan, wiens woede hij zich herinnerde tegen Briganticus die vaak op dezelfde wijze had gesproken. Civilis dacht aan de tempels en de priesters van Rome; aan die tempels van de wonderlijkste gesteenten gebouwd; aan de godenbeelden die door goden zelf gemaakt schenen; aan de priesters die hij

Sluiten