Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Classicus' vorstelijke woning. En toen zij, angstig gespannen, vóór hem zaten in halven kring, rees hij op en sprak langzaam met gedempte stem:

„Vergeeft mij als ik niet welsprekend ben! Maar met de wapenen, als krijgsman, hoop ik den moed van een Romein genoeg te hebben bewezen. Gij echter houdt van woorden en beoordeelt goed en kwaad niet naar hun aard, doch naar de stemmen der opruiers. Daarom wil ik u iets zeggen dat, nu de oorlog geëindigd is, voor u belangrijker is om te horen dan voor mij om te zeggen.

„In uw Gallise landen zijn de Romeinse aanvoerders en veldheren niet uit hebzucht gekomen, doch op het smeken van uw voorvaderen die, tot den ondergang toe, moe waren van inheemse twedracht. Wij hebben den Rijn niet als grens gesteld om Italië te beschermen, maar opdat geen andere Ariovistus zich meester zou maken van de heerschappij over de Gallise landen.

„Meent gij soms dat Civilis en zijn Bataven, en de over-Rijnse stammen, meer van u houden dan hun voorouders van de uwe?... Dezelfde oorzaken zullen altijd weer de Germanen Gallië binnendrijven:

Sluiten