Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Barst nou!" valt Beermans geïrriteerd uit. „En zij ook van jou!" plaagt Dessauvagie. „Ze keek je daareven al aan...!" „Wat! Mij??" „Ja: jou."

„En wanneer moest dat dan geweest zijn?"

„Daarnet nog, toen je zoo op z'n West-Indisch lachte."

„Nou ja, toen keken jullie toch zeker allemaal naar me!"

„Schei nou maar uit," breekt Strijbos af. „Waar zijn die kisten uit Mannheim eigenlijk in gekomen?"

„Ruim A, heelemaal achterin. Staat al op de lijst."

Strijbos veegt zich met z'n servet de mond af, rijst overeind. „Dan mag je mij dat op de lijst 's even wijzen."

„Goed. 'k Ga met je mee." Beermans heeft z'n zekerheid teruggevonden: hier gaat 'tover het werk. Die flauwe plagerij! „Opsteken?" vraagt hij zijn meerdere rustig, op het onvriendelijke af.

„Rook jullie die rolletjes vergif zelf maar," antwoordt Strijbos weer goedgehumeurd, de sigarettenkoker negeerend, z'n korte pijpje uit de zak opdiepend. Hij komt nu wat in stemming: onder mannen alleen! Geen juffers op visite, geen fratsen, geen complimentjes. Hij lacht zelfs even, kort en droog, ziet Beermans vroolijk aan. „Kom!"

„Je vergeet je manchetten, stuurman!" waarschuwt Dessauvagie.

„O ja, verdomme!" gromt Strijbos, terugkeerend, de glimmende gummi-manchetten onwillig van de tafel grissend. Dat: verdomme! is nog aan 't adres van Charlotte.

Zij staat nu op de zwakverlichte brug en schuilt, om niet in de weg te loopen, in 'n hoekje bij de stuurboord-Hchtbak. Het is nogal koud; ze zou haar mantel wel even willen gaan halen, indien ze er niet tegen opzag, daarbij weer door de kajuit te moeten waar de eerste stuurman stellig nog zit te eten, - nu misschien wel met z'n beenen op tafel!

Vochtige duisternis hangt om het schip; de glorende havenlichten hebben vuilgele kringen en schijnen zonder verband; land, zee en lucht gaan zonder grenzen in elkaar over; slechts het fel-zoekende lichtoog van de vuurtoren roept uit het niets vormen en gestalten op, blinkende duin-

Sluiten