Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plastisch te vertolken, het verhaal intens mee; ze speelt roerend haar eigen dwaze verliefdheid, haar geluk, haar wanhoop daarna. Ja, uit wanhoop is ze daarna voor de tweede maal getrouwd met die akelige, dikke kerel - zóó'n buik! van wie ze nu gelukkig bevrijd is.

Ook madame Blanche's voordracht van het geval is eenigszins verwondering-wekkend. Zij ziet dit volk met nuchtere oogen, 'n grenzelooze verachting, - maar haar vertelling krijgt nu onderweg toch dramatische tinten, en Chadidscha's geschiedenis klinkt uit haar mond als 'n sprookje van vreemde bekoring. Misschien schuilt in haar pathos 'n hoon aan het adres van Chadidscha; misschien is het haar Zuidelijke dramatische aanleg, die er haar toe verleidt, aan iedere stof, zelfs 'n absurde als „de levensgeschiedenis van 'n Arabisch meisje", haar talent te wijden, maar misschien ook is er toch 'n verre verwantschap - 'n heel verre natuurlijk - tusschen het veertienjarige Arabische meisje Chadidscha, van wie nu eerst sprake is, en 'n zestienzeventienjarig Frangaisetje, uit wie later 'n ervaren madame Blanche groeien zou. Charlotte tracht haar gezicht duidelijker te zien, maar de kap van de schemerlamp werpt er kleurige vlekken en schaduwen op, die de trekken vervreemden.

Ja, daar was dan eens 'n meisje en dat heette Chadidscha. En daar was 'n jonge... 'n jonge wat?... 'n jonge dadelventer, die dagelijks onder het getraliede venster van Chadidscha's huis passeerde wanneer hij op z'n ezel naar de markt reed. Het was 'n witte, Marokkaansche ezel; van het zadel hingen roode kwasten neer, en hij zat waarempel als 'n jonge pascha op z'n rijdier; in zakken hing aan beide zijden z'n koopwaar neer: de beste dadels van Caïro, de beste dadels van Egypte, nou, wat voor dadels 't waren, doet er ook niet toe. Mekaar door 'n getrahed venster in de oogen zien en dolverliefd worden is één, de bruidschat bijeenkrabben om je uitverkorene te koopen is twee, en trouwen is drie.

„Je moet nog 'n glaasje van die wijn drinken, m'n hartje!" Chadidscha wü, dat madame Blanche nu verder vertelt. Zij is er geheel in; haar lichaam, haar mond trilt; in haar oogen hgt de herinnering aan het eerste huwelijksgeluk, maar ook reeds 'n vage angst voor het vreesehjke, dat komen gaat.

Sluiten