Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MET DE MAASSTROOM IX NAAR T ZIJPER WIJE

Jasper Hendrik Cabauw heeft een ringbaard. Daar mogen ze op den wal van zeggen wat zij believen, hij ontrolt zijn streng pruimtabak en 't smaakt weer goed. Aan den wal tiert andere mode. Kaalgeschoren facie's en lochte pruimtabak en Iochte manieren. Ja, en 't jongvolk kan heelemaal niet meer tegen 't pruimen, de bleeksmoelen.

Vreemd volk, aan den wal. Veelpraat en vuilpraat. Hij houdt het bij negro head op strengen, uit de tabakskerverij HET ANKER, een ringbaard en werken voor den kost, ernst in het leven.

Wat hebben sommige onnoozelaards toch tegen een ringbaard? Als je nou de menschen aan den wal niet meerekent, worden er toch nog heel wat ringbaarden in de wereld gedragen. En dan.... al was zijn ringbaard de leste en de eenige ter wereld.... 't is zijn eigene ringbaard; uit. Wat wil toch dat, volk van den wal ? Ja, waar leven ze allergaar van ? Waar wroeten ze, hoe scharrelen ze hun kost? Een boer. Ja, de boer haalt voer voor mensch en dier uit den grond en de boer zorgt voor schippersvracht. Maar van wat leeft al dat andere volk? Dat vreet mekare op en, ze weten het niet. Ze zijn, zoo schat hij, te stom om dat te vatten; daarom lachen ze ook om een mensch zijn ringbaard.

9

De schuit is schoon, 't Vuur brandt als de hel. Nog maar een dik uur, dan gaan de touwen weer los. In 't gangboord zit Dorus te kijken naar niks, hij kijkt het felst naar niks, als er jong vrouwvolk langs komt. Dat deed Dorus twintig jaar geleê ook al; 't is jammer voor Dorus, maar hij heeft

Sluiten