Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klaar om rap weg te vluchten op den trap zat, dat is Keesje te machtig geworden en hij kraaide: „baas Jas, hij heit het zelf gezeid.... en nou z'n koek!"

Menschen, menschen, wat is er toén gelachen, in 't hol van de Maasstroom IX. De koektent nam z'n brood weerom; de een riep wat over vlugge vogeltjes, de ander over koek met koffie, over lekkeren honger.... en dat ging maar door en dat hieuw maar niet op. , Jas," zegde Jochem door 't lachen heen: ,Je heit een jas, Jas. Maar verdomd goed, dat is ie." En Jochem bracht, om nog meer pleizier daarvan te hebben, een hompie rood brood op tafel. „Dankie Jochem," zei Jas ernstig „dankie man; laan we hopen, dat het niet dienstig hoeft te zijn." En met die woorden trok hij weer naar 't dek. Keesje zat ergens verstoken. Waar? Dat was Jas latere zorg.

Maar zóó was er niet gelachen om den kaptein, die óp kermiskoek aasde, of een elkeen begreep toch, dat er raad geschaft moest worden voor dezen nacht. Madame Eleonora komt er al voor boven; ze vraagt naar een bed.

„Er zijn banken in de kajuit en in 't ruim heb ik negen pak strooi," zegt Jas barsch. „Er kan strooi op den vloer uitgelegd worden; stuur maar mannen." Ja ja, maar Madame Eleonora is zoomaar geen kermiswagenmeid. Slapen op een vloer, tusschen de gekliederde klompen van varkenskooplui.... ja ja....

Ze komt terug onder 't volk en klaagt heur nood. „Wel bezien is 't jouw schuld, mooie Madame," legt het ventje zonder beenen uit. Als jij ons dat voorspeld had, want dat is je vak, dan zaten we nou ergens aan land." En daarop klom hij op het pluche van de bank, heelemaal achterin tegen 't be-

Sluiten