Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De knors heeft den schipper niet gevonden. En Kees, de stoker, was ook al van de schuit en ook de sloep was weg. „Ze zijn op 't kompas den duister in," zei Dorus, „ze probeeren, langs de Slikken de haven van Herkingen te vinden, maar 't kan wel een halven dag duren." En 't was Dorus onder z'n stoppelwangen aan te zien, dat hij knap in den piepzak zat, om dat avontuur. „Zallen ze ons weerom vinden? Zallen ze niet overvaren worden?"

Ze keken tezamen in de verte.... de verte was niet wijder dan twee meter krap. „Daar {evers in die melkbrij vaart schipper Jas. 'k Wou, dat hem goed en wel weerom was, dat wou ik."

En toen dat bekend wier, in den grauwen schemer van de kajuit, toen wier al het volk, dat levenvolk, toch even stil. „Ja menschen, laat het je gezegd zijn," verklaarde Dorus (en hij had zoowaar vergeten hier, onder vrouwen, een pet op z'n kletskop te zetten) „weet allemaal maar goed.... dat is geen zoetekoek meer, dat wat schipper Jas daar besteekt met onzen Kees. 't Is meenens."

Waarop ze allegaar zwegen en voor den dag haalden, wat er nog maar eetbaars over was in hun bezit. Veel was het niet, maar het telde toch. Bartje Rijkelijkhuizen was er tusschen uit gepiept naar boven. Hij wou ... zoowaar ... hij wou meedoen met den afstand van al het eten, ter verdeeling. Maar onder 't dekzeil vond hij zijn stukkenzak niet meer. Vreemdigheid vond hij dat. Hij draaide zich om en keek Keesje in z'n brutaal facie, Keesje die het brood gevonden had. „En dat bekom je niet meer weerom, leelijke padde, dat gaat op den grooten hoop!"

„Dat docht ik ook te gaan doen," piepte de groote vent.

„Daarom heb je 't dan zeker weggesteken."

„Maar echtig.. .luister dan." En een rijke ouwe vrijgezel

Sluiten