Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van onder de boeren vandaan, stond braaf zijn schand te bekennen voor een varensgastje, een kind nog bekant. Er was dan ook nog geen twee meter zicht rondom de schuit, en dan worden alle wijde dingen zoo nabij, dan is de wereld zeer begrensd.

Kees heeft de leelijke padde geloofd en die is als een kind dat stout is geweest, zoo onderdanig en wel, naar de kajuit terug gegaan en daar heeft hij zijn bezit aan eten uitgeschut bij al het andere.

„Maar mijn koek, menschen? Wat gaat dat worden. Kan ik zóómaar m'n kisten open zetten? M'n koek dat is m'n handelswaar."

„Net als de vlooien van het theater," vond Jochem, „ook handelswaar."

„En jouw hand, die je ophoudt, Jochem."

„En jouw schietpatronen. En de waarheid van Madame Eleonora."

„En de ballonnetjes van Tante Mieke", viel Chef in. „Ja, als je nagaat... we hebben hier, zoo we bier zitten in den rook, allemaal heel wat differents onder handen, om van te bestaan. De een doet het met koek, waar? Nou, de ander zónder koek, maar met vlooien aan een draadje."

»>En jij met netjes je hand ophouwen..."

„En óók met vlooien schat ik."

„Maar hij daar, die halskop zonder beenen... dat die schooit, dat verstaan ik," vond het hoofd van Jut.

Toen stond Jochem, die wel wist, dat zijn maat op zulk een moeilijk woord toch geen antwoord kon vinden, den dikken Chef manhaftig bij. „Die daar? Die zonder beenen? Die gaat rapper dan je denkt. Leg maar eens een gulden neer heel hoog, op 't randje van den schoorsteenpijp, draai je even

Sluiten