Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel levers aan den wal zitten en ons uitlachen bij een goed maal stamppot, ik zeg — nee... zoo is Jas niet. Ik ken Jas langer dan jullie allemaal. Zoo is Jas Cabauw niet. Die verkeert ievers in nood op het water; ik kan dat niet meer aanheuren, die miststooten. En laan ze toch met licht kommen."

„Ja, licht; licht moet er zijn!" Er werd om Doms geroepen, maar die zat als een bonk marmersteen verkleumd op het dekzeil van 't voorschip. En de koeikooper liepen weer met melk van de koeien, maar er was om en nabij geen voer meer voor de koeien en Keesje draafde met lampeperen, ja... er kwam licht. Maar meen niet, dat Dorus van den deklast afkomen wou. „Vreet maar op, verdomme! Vreet alles maar op! Haal 't buffet maar leeg, en heel 't kombuis! Vreet heel 't schip maar leeg en zuip al de melk op en al het water! Eerst mot m'n schipper terug zijn, eer kom ik niet naar onderen!" En woest klonk weer zijn toeter in den tergend klammen nacht. En weer. Hij blies gelijk een razende. Het eenige antwoord was stilte.

Maar toen klom Tante Mieke naar boven. Ze had een doek omgeslagen en ze dribbelde als een vogeltje. „Dorus!" riep ze: „zie je dan nog heelegaar niks?" En Dorus niet wetende hoe ongerust ook Tante Mieke was, schold ook haar uit. „Vreters zijn jullie! En zuipers, dat zijn jullie! Eerst mot mijn schipper weerom zijn, leelijke krapuul!" Maar was Dorus dan gek geworden?

»

En toen zei Chef, die óók zijn neus eens gewaagd had in de nattige kou aan 't dek, tot de schiettent een woordje: „in '98 heb je vijf en twintig gulden bekommen, om een mensch te

Sluiten