Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maar als jullie zóó doorgaan met in m'n verhaal te vallen (val liever in den kelder) dan komt er morgen nog geen end aan. De dienders dan, want daar was ik gebleven, de dienders die zeeën: — ze gaan, voor zoover bekend, nooit den huis uit, nooit de buurt uit; de uilen moeten dus nog op 't nest zijn. —- Zij namen natuurhjk mooiere woorden in hun mond daarvoor. Maar waarom, zoo dochten ze, komen ze dan niet voor den draad, momenteel was toch het gezag ter bescherming aanwezig, al was de bloedhond afgemaakt?

„Toen zee er een, ik heb me dat goed laten vertellen door Jacob Lekkerkerker, die in de geburen woont en die eindelijk ook gekomen was, toen de politie over de werf toerde, een van de dienders zee: Ze komen niet, zoo denk ik, omdat ze nog vreezen. We motten naar ze roepen, dat ze 't in heur schuilhok hooren, dat de politie er is... wedden dat ze dan levers vandaan kruipen?

„Daarop riepen ze in den nacht, dat ze van de politie waren. Maar antwoord kwam er niet.

„Toen wieren ze heel zwaarwichtig. Want als de dames niet gevlucht zijn (en ontvlucht eens een half honderd boeren met stokken en rieken) en als de dames niet buitenshuis waren... en als ze dan toch niet verschijnen op hun roep... dan zijn de dames vermoord! Net als de langharige katten, de mormelhondjes, de papegaaien uit de warme landen en meer van dat vreemd beestenspul... tegen de muren gekwakt en onder den voet geloopen. 't Wier ernstig.

„Ze zochten toen eerst het erf af, meter voor meter. En in de schuren zochten ze, in den akker en langs de sticht. Jacob Lekkerkerker had een stallantaarn weten liggen en die zocht ook handig mee.

„Ik weet nog zoo zeker niet, of ze afgemaakt zijn, — zee

Sluiten