Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Psalmen. Inleiding.

de Psalmen geplaatste opschriften, welke Moses, Salomon, Asaph en anderen als de dichters aanwijzen. Mag men nu de echtheid van sommige der titels betwijfelen, zeker is het, dat niet alle historisch gezag aan alle opschriften kan ontzegd worden. Vervolgens vinden wij in verscheiden Psalmen gebeurtenissen, na David's tijd voorgevallen, met zulk een nadruk als verleden of tegenwoordig voorgesteld, dat daar ter plaatse aan een door David gedane voorspelling wel moeielijk kan gedacht worden. Daarenboven is veelal de stijl van die Psalmen, welke buiten allen twijfel voor gezangen van David moeten gehouden worden, aanmerkelijk verschillend van den gang der Psalmliederen, welker opschriften eenen anderen zanger vermelden. Wat meer is, wij zien uit II Par. XXIX 30, dat ten tijde van koning Ezechias de Psalmen van David en die van Asaph, alhoewel gezamenlijk gebruikt, naar behooren van elkander werden onderscheiden.

Het zoo even aangehaalde strekt ons ten bewijze, dat er reeds te dien tijde verzamelingen van Psalmen bestonden. Buiten den eersten, door David bijeengebrachten bundel, werden er namelijk achtereenvolgens vier andere verzameld en, naar het getuigenis van H Mach. II 13, naderhand met David's bundel en onder zijnen naam door Nehemias tot een enkel geheel vereenigd. Nog ten huidigen dage draagt het Boek der Psalmen duidelijke sporen van die samenstelling; immers de slotwoorden van Psalm LXXI 20: «Einde der gezangen van David, zoon van Jesse» duiden ongetwijfeld het einde van eenen bundel aan, evenals daar ter plaatse en bij het laatste vers van Ps. XL, LXXXVIH en CV de woorden: «Zoo zij het, zoo zij het!» Wel is waar ontbreken die slotwoorden bij Psalm CL; maar dit heeft waarschijnlijk zijn reden daarin, dat die Psalm in zijn geheel als doxologie en slot kan dienen, evenals Psalm I tot algemeene inleiding strekt.

Zoo wettigt de heden ten dage nog bestaande indeeling van het Boek der Psalmen de gevolgtrekking, dat genoemde bundels oudtijds van elkander waren gescheiden. Trouwens had een enkele verzamelaar van den beginne af alle Psalmen in eens tot een enkelen bundel vereenigd, zou hij dan wel enkele Psalmen tweemaal hebben opgenomen? En waarom zou hij juist in de Psalmen van den vierden bundel God nergens «Elohim», maar steeds «Jahve» of «Jehova» genoemd hebben? . Waarom in den tweeden meestal «Elohim», in den eersten en vijfden bijna uitsluitend «Jehova» ? Waarom zouden beide namen elkander niet met zekere regelmatigheid afwisselen, zooals zulks in den vierden bundel en zoo dikwijls elders in de H. Boeken geschiedt? Waarom zou die verzamelaar den eenen naam door den anderen vervangen hebben in Psalmen, die in verschillende bundels herhaald worden, zooals Psalm XHI in Psalm LH; Psalm XXXIX 14—18 in Psalm LXLX? Aan toeval of aan verschil van beteekenis in den herhaalden Psalm kan toch wel niet gedacht worden. Dat alles geeft ons recht om te besluiten, dat de vijf bundels van het Boek der Psalmen afzonderlijk door verschillende verzamelaars bijeengebracht en bereids geruimen tijd in gebruik waren geweest, vóór en aleer zij tot een enkel geheel vereenigd werden.

I

1

i

Sluiten