Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Tu autem Domine susceptor meus es, gloria mea, et exaltans caput meum.

5. Voce mea ad Dominum clamavi: et exaudivit me de monte sanoto suo.

6. Ego dormivi, et soporatus sum: et exsurrexi, quia Dominus suscepit me.

7. Non timebo millia populi circumdantis me: exsurge Domine, salvum me fac Deus meus.

8. Quoniam tu percussisti omnes adversantes mihi sine causa: dentes peccatorum contrivisti.

9. Domini est salus: et super populum tuum benedictio tua.

4. Maar Gij, Heer, Gij zijt mijn beschermer, Gij mijn roem, en die mijn hoofd verheft8).

5. Met mijne stemme riep ik tot den Heer*), en Hij verhoorde mij van zijnen heiligen berg*).

6. Ik legde mij ter rust en zonk in slaap; en weder stond ik op, omdat de Heer mij beschermde6).

7. Geenszins vrees ik voor de duizendtallen van het volk, dat mij omsingelt. Sta op, Heer! Red mij, o mijn God!

8. Gij immers hebt geslagen al die ndj weerstreefden zonder grond7); de tanden der zondaars hebt Gij vergruisd.

9. Van den Heere komt het heil, en over uw volk uw zegen8).

Van mijn ziel, hebraïsme voor: van mij. Tegenover de hier uitgedrukte bewering stelt David in v. 4 en 5 zijn gegrond vertrouwen op God.

*) Mijnen roem heb ik van U of zoek ik in U alleen. Of wel: mijne koninklijke macht heb ik van U, en dus van rechtswege; daarom zal ik ze, door U gesteund, niet verliezen. Gij Immers beurt mij het hoofd op, dat ik droefgeestig liet hangen; want op mijn gebed maakt Gij mij (v. 5—8) tot overwinnaar.

'} ' Dezen nacht (of in elk gevaar), stuurde ik met luider stem tot God mijn gebed.

*) Voor den Israëliet kwam alle hulp uit den tabernakel op Sion, een zichtbare voorstelling des Hemels.

6) Ondanks het gevaar, dat mij buiten mijn weten bedreigde, bleef ik ongedeerd en kon ik, door God opgebeurd, weder opstaan. Vgl. II Reg. XVII 1,

') Hebr.: «Gij sloegt al mijne vijanden

op hunne kaken». Het volgend beeld is aan de jacht ontleend: wilde dieren zijn onschadelijk als hun gebit verbrijzeld is. Door zondaars worden in de Psalmen herhaaldelijk David's boosaardige vijanden aangeduid. God maakte allen onschadelijk, die den dichter zonder grond, d. ï. zonder eenige schuld van zijnen kant, zochten te benadeelen. Zoodanigen waren Saül, Abner, Absalom enz.

") Edelmoedig vraagt David, dat God het volk moge sparen. Sommigen zien daarentegen in v. 9 een doxologie, die in lateren tijd tot liturgisch gebruik bij den- Psalm gevoegd is.

— Vele HH. Vaders meenen, dat deze Psalm in den letterlijken, anderen dat hij in den typisehen zin handelt van Christus, die, evenals David, vóór zijn lijden over de beek Cedron toog. De Psalm wordt door eenigen bovendien Uitgelegd van de velerzijds bestookte, maar door Gods hulp steeds zegepralende Kerk.

Sluiten