Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMUS V. PSALM V.

Morgengebed in kwelling.

Door den nood tijdens Saül's vervolging of Absalom's opstand gedwongen verre van het Heiligdom te vertoeven, roept David Gods hulp in. — Hjj verlangt door God verhoord te worden (v. 2—6a). De boozen toch worden door God gehaat (v- 5b—7). Door Gód geholpen wil hij Hem getrouw dienen (v. 8—9). Zijne vijanden zullen om hunne boosaardigheid door God gestraft worden (v. 10—11). De braven integendeel genieten zegen en bescherming.

1. In finem pro ea, qua) hereditatem consequitur, Psalmus David.

2. Verba mea auribus percipe Domine, intellige clamorem meum.

3. Lntende voei orationis mea?, rex meus et Deus meus.

4. Quoniam ad te orabo: Domine mane exaudies vocem meam.

5. Mane astabo tibi et videbo: quoniam non Deus volens iniquitatem tu es.

6. Neque habitabit juxta te malignus: neque permanebunt injusti ante oculos tuos.

7. Odisti omnes, qui operantur iniquitatem: perdes omnes, qui loquuntur mendacium.

Virum sanguinum et dolosum abominabitur Dominus:

8. Ego autem in multitudine misericordise tuae.

Introibo in domum tuam: adorabo ad templum sanctum tuum in timore tuo.

') Zie Psalm IV noot 1.

*) De zin schijnt te zijn: Psalm, bestemd voor de Joodsche natie, erfgename van Gods beloften. De HH. Vaders zien in de erfgename de Kerk of de geloovige ziel. Hebr.: «El hannechiloth», met begeleiding van fluitspel.

') Door de sterker uitgedrukte herhaling maakt de Psalmist zijne bede steeds dringender.

4) Ik zie uit naar uwe hulp. Dat hij

1. Tot het einde1). Voor de erfgename2). Een Psalm van David.

2. Mijne woorden laat in uwe ooren dringen, Heer, geef acht op mijn geroep.

3. Luister naar mijn smeektaal, o mijn Koning en mijn God8)!

4. Want ik richt tot U mijn bede; Heer, wil in den ochtend mijn geroep verhoor en.

5. Lu den ochtendstond verschijn ik voor U en zie uit4).

Want Gij zijt geen God, die onrecht liefheeft.

6. En verblijven zal geen snoodaard in uw bijzijn, en standhouden zullen geene onrechtvaardigen voor uwe oogen5).

7. Gij verafschuwt al wie ongerechtigheid begaan; Gij stort allen in het verderf, die leugen spreken.

Van den man der bloedvergieting en der arglist gruwt de Heer8).

8. Lk echter, in den overvloed van uwe goedertierenheid,

ik zal binnentreden in uw woning; aanbidden zal ik voor uwen heiligen tempel in uw vreeze.

dit reeds in den vroegen morgen doet, mag wel een beweegreden zijn om hem te verhooren.

*) Zinspeling op de bescherming, die oudtijds met de gastvrijheid verbonden was.

8) Hier is sprake van herhaalde bloedvergieting, en worden allen bedoeld, die de gewoonte hebben bloed te vergieten of daartoe bereid zijn, bij uitstek wellicht Saül of Doëg. Vgl. I

I

I

Sluiten