Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

et volavit: volavit super pennas ventorum.

12. Et posuit tenebras latibulum suum, in circuitu ejus tabernaculum ejus: tenebrosa aqua in nubibus aeris.

13. Pra3 fulgore in conspectu ejus nnbes transierunt, grando et carbones ignis.

14. Et intonuit de ccelo Dominus, et Altissimus dedit vocem suam: grando et carbones ignis.

15. Et misit sagittas suas, et dissipavit eos: fulgura multiplicavit, et conturbavit eos.

16. Et apparuerunt fontes aquarum, et revelata sunt fundamenta orbis terrarum:

Ab increpatione tua Domine, ab inspiratione spiritus irae tuae.

17. Misit de summo, et accepit me: et assumpsit me de aquis multis.

") God bestijgt nu zijnen troonwagen en daar nadert Hij met de snelheid van den wind. De Cherubs zijn hier geen persoonsverbeelding van de natuurkrachten, den stormwind of de wolken, maar persoonlijke wezens, die naar de opvatting van den Psalmist den Allerhoogste dragen. Eveneens droegen zij diens troon in het visioen van Ezechiël (Ezech. 15); ook waren zij afgebeeld boven de Ark des Vetbonds (Exod. XV). Boven deze zweefde somtijds een wolk ten teeken van Gods tegenwoordigheid (vgl. Exod. XL 32; Num. IX 15); daarom stelt de Psalmist hier God voor, ten gericht afdalende (v. 10) op een zwarte wolk, die Hem (v. 12) als een tent omhult en ver-

^"f^Thans wordt (v. 13—17) het wraakgericht zelf en zijne uitwerkselen geschilderd. De zin der Vulgaat schijnt: door den lichtglans zijner majesteit verandert de duisternis der wolken in een laaien gloed, die zich ontlast met hagel en bliksems.

") Hij deed de stem van zijnen donder weergalmen en opnieuw vallen

en vloog; Hq vloog op de vleugels der winden1*).

12. En Hij maakte duisternis tot zijne omhulling; rondom Hem, zijne tent, was donkere regen in de wolken der lucht.

13. Voor het schitteren zijns aangezichts vloden de wolken daarhenen. Hagel en vlammende kolen13)!

14. En uit den hemel donderde de Heer, en de Allerhoogste liet zijne stem weergalmen. Hagel en vlammende kolen14)!

15. En Hij wierp zijne schichten en. Hij dreef hen uiteen; bliksems vermenigvuldigde Hij en Hij bracht ze in verwarring15).

16. En zichtbaar werden de bronnen der wateren, en des aardrijks grondslagen werden ontbloot,

van uw uitvaren, Heer, van het snuiven des ademtochts uwer verbolgenheid16).

17. Hij reikte uit de hoogte en greep mij, en Hij trok mij uit der wateren vloed.

hagelsteenen en bliksems. De herhaling hagel enz. is als een kreet van ontzetting. Zij ontbreekt in de Septuagint en II Reg. XXII; hier schildert zij met levendige kleuren de hevigheid van het onweder.

") Gods straffen dreef hen, d. i. mijne vijanden, uiteen en maakte hen radeloos. Hieruit blijkt, dat de schildering van het onweder zinnebeeldig op te vatten is.

,6) Gods uitvaren, de bestraffende storm, had de wateren der zee weggezweept en de diepten blootgelegd, waar de bronnen ontspringen. Of wel: de aarde werd door de bliksems vaneengespleten, en de wateren, de grondslagen, op welke zij (naar de toenmalige begrippen) rust, werden zichtbaar (vgl. Psalm XXIII noot 3). Zoover moest het komen, opdat David uit zijnen jammerpoel gered werd; immers (v. 17) God reikte hem de handen trok hem.uit het dreigend levensgevaar en uit zijne overige ellenden. Hiermede houdt de zinnebeeldige beschrijving op; deze wordt door den Psalmist verklaard in v. 18 enz.

ï

I

Sluiten