Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMUS XXV. PSALM XXV.

Gebed van eenen verdrukten vrome.

David betoogt zijne onschuld in vergelijking met de daden zijner vijanden (vgl. v, 9, 10). — Bede om hulp tot den goddelijken Rechter (v. 1—2). Gerust mag de Psalmist voor God verschijnen, omdat hij op Hem gebouwd, de boozen gemeden, zijne onschuld bewaard heeft (v. 3—8). Gebed om behoud (v. 9—11). Dankbetuiging voor de zeker te verkrijgen hulp (v. 12).

1. In finem, Psalmus David.

Judica me Domine, quoniam ego in innocentia mea ingressus sum: et in Domino sperans non infirmabor.

2. Proba me Domine, et tenta me: ure renes meos et cor meum.

3. Quoniam misericordia tua ante oeulos meos est: et complacui in veritate tua.

4. Non sedi cum concilio vanitatis: et cum iniqua gerentibus non introibo.

5. Odivi ecclesiam malignantium: et cum impiis non sedebo.

6. Lavabo inter innocentes manus meas: et circumdabo altare tuum Domine:

1. Tot het einde1). Een Psalm van David.

Verschaf mij recht, o Heer, want ik, ik wandel in mijne onschuld1), en in mijn vertrouwen op den Heer zal ik met wankelen8).

2. Beproef mij, Heer, en onderzoek mij; stel op de vuurproef mijne nieren en mijn hart1).

3. Want uwe goedertierenheid is voor mijne oogen, en welbehagen vind ik in uwe waarheid6).

4. Ik zit niet neder met den raad der valschheid8), en met hen, die ongerechtigheden plegen, ga ik niet om.

5. Ik haat de samenkomst van kwaadgezinden, en met goddeloozen zit ik niet neder.

6. Lk wasch onder onschuldigen mijne handen7), en treed in de omgeving van uw altaar, o Heer8),

een gebed der Joden van dien tijd. Andere HH. Vaders leggen hem uit als eene bede, die de met onze zonden beladen Christus tot zijnen Vader richt, of als een gebed der strijdende Kerk tot Christus, of ook als de smeeking eener ziel, die aan God wil behagen, maar die nog met hare driften te kampen heeft.

*) Zie Ps. IV noot 1. Deze woorden ontbreken in het Hebr. en de Septuagint.

') Zie v. 3 en 8 en Ps. XVII noot 18.

*) Om mijne onschuld en om mijn vertrouwen op U zal ik in het pleit met mijne vijanden niet de zwakkere partij worden. Of wel: ik vertrouw op TJ vast en onwankelbaar.

4) Vgl. Ps. VII 10. Sterk in zijne onschuld, vreest hij niets en vraagt een nauwkeurig onderzoek. Dit vers bevat een tusschengeschoven gedachte, zoodat v. 3 dient ter uitlegging vah v. 1 en ter inleiding voor verdere bewijzen der onschuld van den Psalmist.

*) Met welbehagen overweeg ik uwe getrouwheid, of denk ik aan uwe leer en wet, en leef die dus na.

°) Ik span niet samen met listige bedriegers of met nietswaardigen.

') In het bewustzijn en ten teeken mijner onschuld kan ik mij'ne handen wasschen en mij gerust tot uw altaar begeven. Vgl. Ps. X1T 1 volg.

*) Ik treed in den kring der vromen, die uw tabernakel en altaar omringen. Misschien is hier van een plechtigen

Sluiten