Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMUS XXIX. PSALM XXIX.

Dankgebed na eene ziekte.

Allerwaarschijnlijkst werd deze Psalm door David tot God gericht na de driedaagsche pest, met welke het volk wegens David's ijdelheid geslagen werd. — Lof en dankbetuiging tot God, die den Psalmist uit het gevaar verloste (v. 2—6). Schuldbekentenis, straf en gebed om behoud (v. 7—10). Jubel en dank wegens het ver hoor en van dat gebed (v. 11—13).

1. Psalmus Cantici

In dedicatione domus David.

2. Exaltabo te Domine quoniam suscepisti me: nee delectasti inimicos meos super me.

3. Domine Deus meus clamavi ad te, et sanasti me.

4. Domine eduxisti ab inferno animam meam: salvasti me a descendentibus in lacum.

5. Psallite Domino sancti ejus: et confitemini inemoriae sanctitatis ejus.

6. Quoniam ira in indignatione ejus: et vita in voluntate ejus.

1. Lofzang

bij de inwijding der woonplaats, van David1).

2. Verheffen wil ik U, o Heer, omdat Gij mij hebt opgebeurd, en Gij mijne haters niet verblijd hebt wegens mij2).

3. O Heer, mijn God, ik riep tot U, en Gij hebt mij genezen8).

4. O Heer, Gij voerdet mijne ziel uit de onderwereld op; Gij naamt nüj reddend weg van die ten grave daalden.

5. Zingt lof den Heer, gij, zijne vromen, en verheerlijkt de gedachtenis van zijne heiligheid4);

6. want toorn is er in zijne verbolgenheid, en leven in zijn welbehagen6).

*> Uit den grondtekst en de Septuagint blijkt, dat hier niet de woonplaats van David bedoeld wordt. Misschien is de inwijding hier die van Ornan's dorschvloer (vgl. II Reg. XXIV en I Par. XXI), waar David bij gelegenheid der pest zoenoffers deed opdragen. Een open plaats wordt eveneens Gods huis of woonplaats genoemd Gen. XXVIII 17. Sommigen meenen daarentegen, dat het opschrift van veel later dagteekent en dat door inwijding die van den tweeden tempel bedoeld wordt. <i%2$avid gaat in den Psalm God ver keffen, d. i. zijne uiterlijke heerlijkheid vermeerderen, door Hem te prijzen, Hem beter te doen kennen en beminnen. Hij was op het punt te vallen, d. i. door de ziekte medegesleept te worden; maar God redde hem, tot grooten spijt van zijne vijanden. Herhaaldelijk wordt in de Psalmen aangeduid, dat blijdschap en spotternij der vijanden destijds als

een bijzonder ongeluk beschouwd werden.

") Dit is wel woordelijk te verstaan van eene ziekte, die hem reeds had aangetast of ten minste van nabij bedreigde; want in v. 4 rekent hij zich reeds tot de breede schaar dergenen, die door de ziekte waren en werden weggesleept.

4) De gedachtenis is hier Gods heilige naam; deze naam herinnert Ons aan zijne heiligheid, met welke hier bij uitstek zijne rechtvaardigheid en barmhartigheid bedoeld wordt, die Hij openbaarde in zijn straffen en sparen.

6) Gods rechtvaardige gramschap brengt straf, ja dood met zich als gevolg van zijnen toorn; zijn welbehagen integendeel, d. i. zijne barmhartigheid en liefde, spaart den zondaar en laat hem leven. Naar den grondtekst waarschijnlijk: «een oogenblik is er (d. i. duurt) zijne gramschap; een leven in

Sluiten