Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Apud me oratio Deo vitte meae,

10. Dicam Deo'. Susceptor meus es,

Quare oblitus es mei? et quare contristatus incedo, dum affligitme inimicus?

11. Dum confringuntur ossa mea, exprobraverunt mihi qui tribulant me inimici mei:

Dum dicunt mihi per singulos dies: Ubi est Deus tuus?

12. Quare tristis es anima mea? et quare conturbas me?

Spera in Deo, quoniam adhuc confitebor illi: salutare vultus mei, et Deus meus.

Bij mij is eene bede tot den God mijns levens.

10. Ik zeg tot God: Gij zijt mijn helper!

Waarom vergeet.Gij mrj, en waarom wandel ik vol droefenis, terwijl de vijand mij verdrukt?

11. Terwijl mijn beenderen verbrijzeld worden, hoonen zij mij, die mij kwellen, mijne vijanden15),

terwijl zij tot mij zeggen eiken dag: Waar is uw God? —

12. Waarom zijt Gij bedroefd, mijn ziel, en waarom doet gij niij ontstellen?

Betrouw op God, want ik zal Hem nog prijzen: Heil mijns aanschijns en mijn God!

PSALMUS XLII.

PSALM XLIL

Gebed om redding1 en om terugkeer tot God.

Vervolg van den vorigen Psalm. — Ood moge den smeekende helpen, hem zijne gunst schenken en hem terugvoeren in het heiligdom; daar zal hij Hem dan zijnen dank betuigen.

1. Psalmus David..

Judica me Deus, et discerne causam meam de gente non sancta, ab homine iniquo, et doloso erue me.

2. Quia tu es Deus fortitudo mea: quare me repulisti? et quare tristis incedo, dum affligit me inimicus?

1. Een Psalm van David1). Recht mij, o God, en beslecht

mijn pïeitzaak tegen een onheilig volk; aan den ongerechtigeh en arglistigen man ontruk mij8)!

2. Want Gij, o God, zijt mijne sterkte: waarom verstoot Gij mij, en waarom wandel ik vol droefenis, terwijl de vijand mij verdrukt3)?

") Buiten de smart, die mij door merg en been dringt, word ik nog gehoond als een door God verlatene.

— De HH. Augustinus, Hiëronymus, Chrysostomus en na hen Bellarminus en anderen zien in dezen Psalm eene uiting van David's verlangen om van de hinderlagen der vijanden zijner ziel verlost en m het genot der aanschouwing Gods gesteld te worden.

») Dit opschrift ontbreekt in het Hebreeuwsch.

*) Hebr. «strijd mijnen strijd (en bevrijd mij) van een onheilig volk» (d. i. van de onrechtvaardige en arglistige goddeloozen). Misschien worden door den man Absalom, door het onheilig volk diens aanhangers bedoeld.

8) Eerbiedige klacht eener ziel, die op God, hare sterkte, vertrouwt en in vrome overdrijving zegt, dat Hij haar verstoot, omdat Hij talmt met zijne hulp. God doet zulks dikwijls, opdat wij onze hulpbehoevendheid inzien, ons voor Hem vernederen en ons met inniger verlangen tot Hem wenden.

Sluiten