Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

conculeavit me homo: tota die impugnans tribulavit me.

3. Conculcaverunt me inimici mei tota die: quoniam multi bellantes adversum me.

4. Ab altitudine diei timebo: ego vero in te sperabo.

5. In Deo laudabo sermones meos, in Deo spera vi: non timebo quid faciat mihi earo.

6. Tota die verba mea exsecrabantur: adversum me omnes Cogitationes eorum, in malum.

7. Inhabitabunt et abscondent: ipsi calcaneum meum observabunt.

Sicut sustinuerunt animam meam,

8. Pro nihilo salvos facies illos: in ira populos confringes.

Deus,

9. Vitam meam annuntiavi tibi:

mij vertrapt de mensch8); den ganschen dag benauwt mij de bestrijder.

3. Mijne vijanden vertrappen mjj den ganschen dag, want talrijk zijn zij, die strijd voeren tegen mij.

4. Voor de hoogte van den dag ben ik beducht*), maar ik vertrouw op ü.

5. In God zal ik mijn woorden roemen1'); op God vertrouw ik; ik vrees niet; wat zou vleesch mij doen6)?

6. Den ganschen dag vervloeken zij mijn woorden7); tegen mij zijn al hunne gedachten ten kwade.

7- Zij huizen en verbergen zich; zij bespieden mijnen hiel8). Zooals zij mijne ziel opwachten»),

8. zoo zult Gij hen om geenen prijs behouden10); in gramschap zult Gij volkeren vergruizen.

God,

9. mijn leven heb ik U bekend ge-

*) Hebr.: «hijgt naar mij», d. i. als een wild dier naar mijn bloed. Mensch en tegenstander duiden hier de Philistijnen, wellicht ook Saül en zijn handlangers aan.

*) Wat hier de hoogte van den dag beteekent, is niet zeer duidelijk; wellicht vreesde David gedurende den nacht, dat hij 's ochtends of bij klaarlichten dag herkend zou worden. Enkelen vertalen: ik vrees voor den hoogen dag van uw strafgericht. De Septuagint (naar den Cod. Vat.) en het Psalterium Romanum hebben: «mijne vijanden vertrappen mij den ganschen dag van de hoogte van den dag (d. i. wellicht: van den vroegen morgen af): want talrijk» enz. Hebr.: «mijne vijanden hijgen (naar mij) den ganschen dag, want velen bestrijden mij in hoogmoed ; ten dage dat ik vrees, vertrouw ik op U».

') Hebr.: «zijn woorden». In overeenstemming daarmede verklaren de meesten dit: vertrouwend op God, zal ik mij beroemen op de mij door Hem (zie I Reg. XVI) gedane beloften omtrent mijn koningschap; die zal Hij

eens vervullen en mij derhalve nu redden.

") Naar de Septuagint is dit voorstel vragend. De zin is: lk vrees niet wat zwakke stervelingen tegen mij ondernemen, daar de Almachtige mij beschermt. J. *ij (de Philistijnen, vgl. I Reg. o -iv l1' of wel de handlangers van saul) bespotten en verwenschen de mii gedane beloften. Of wel: Safll's hovelingen verdraaien mijne woorden over de mij gedane beloften en vervloeken die als hoogverraad.

•) Zijhuizen, d. i. liggen voortdurend

2R lotT (VSL Ps- XVI 12) in een schuilhoek om mij onverhoeds te overvallen. Naar den grondtekst is de zin: heimelijk scholen zij samen enz.

) Naarmate (of omdat) zij mij als een wild dier opwachten, mij naar het leven staan, zult G« hen in het verderf storten. Naar de Septuagint: «gelijk

iov°£ voor mi'n leven> zul1 Gij? enz. ) Naar het Hebr. is de zin: zullen zij pm (trots) hunne ongerechtigheid ontkoinen ? — De volkeren zijn hier Gods en JJavid s vijanden, die vernietigd zullen worden, al waren het gansche natiën.

Sluiten