Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

T

PSALMUS LX. PSALM LX.

Gebed van eenen banneling.

Ver van Jerusalem verwijderd, waarschijnlijk tijdens Absalom's opstand, smeekt David om Gods bescherming; met gegronde reden hoopt hij daarop (v. 2—6). Daarbij voegt hij de bede om een langdurig koningschap (v. 7—9).

1. In finem,

In hymnis David.

2. Exaudi Deus deprecationem meam: intende orationi mea?.

3. A finibus terra? ad te clamavi: dum anxiaretur cor meum, in petra exaltasti me.

Deduxisti me,

4. Quia factus es spes mea: turris fortitudinis a facie inimici.

5. Luhabitabo in tabernaculo tuo in sEecula: protegar in velamento alarum tuarum.

6. Quoniam tu Deus meus exaudisti orationem meam: dedisti hereditatem timentibus nomen tuum.

7. Dies super dies regis adjicies: annos ejus usque in diem generationis et generationis.

l) Hebr. waarschijnlijk: '«met snarenspel». Zie Psalm IV 1 en VL noot 2. In den grondtekst staat achter v. 5 «Sela» en behoort v. 6 dus tót de tweede strophe.

*) Vervolgd door Absalom, moest David wijken tot bijna aan de grenzen van zijn rijk, zoo ver van Jerusalem, dat hij die (wellicht) hier hyperbolisch de grenzen der aarde noemt.

*) De verleden tijd «exaltasti, deduxisti» enz. staat hier (vgl. v. 4 en 6) of wel om Gods hulp in het verleden aan te duiden als grond van Davids vertrouwen, of wel in plaats van den toekomenden tijd om de zekerheid aan te duiden, waarmede God David's gebed verhoeren zal. Hebr. «voer mij op eene rots, die voor mij te hoog is>, d. i. die ik zonder uwe hulp niet kan beklimmen; m. a. w. help mij in de moeilijkheden, die ik alleen niet te boven kom.

1. Tot het einde. Onder de liederen1). Van David.

2. Verhoor, o God, mijne smeeking, geef acht op mijn gebed!

3. Van de grenzen der aarde roep ik tot U2), terwijl mijn hart bekneld is. Op eene rots verbieft Gij mij3).

Gij geleiddet mij,

4. want Gij waart mijne hoop, een sterke toren tegen den vijand.

5. Wonen zal ik in uwe tent in eeuwigheid; bescherming zal ik vinden onder de beschutting uwer vleugelen4).

6. Want Gij, mijn God, verhoordet mijn gebed; Gij gaaft een erfdeel aan wie vreezen uwen naam5).

7. Dagen zult Gij voegen bij de dagen van den koning, jaren voor hem tot in de dagen van geslachten en geslachten6).

*) Voortdurend zal ik uwe bescherming en vriendschap genieten; of: Gij zult mij naar Jerusalem terugvoeren en mijnen troon aldaar bevestigen (zie Psalm V noot 5; XIV noot 1 en XVI noot 7).

6) De grondtekst kan vertaald worden: «Gij gaaft mij het erfdeel van die uwen naam vreezen», d. i. Gij gaaft mij de heerschappij over het land, beloofd aan de Israëlieten, die u kennen en vreezen.

•) Gij zult niet alleen dagen, maar jaren bij zijn dagen voegen, en wel zulke, die duren van geslacht tot geslacht. David spreekt hier van zich als van een derden persoon. De uitdrukkingen van v. 7 en 8 zijn zoo sterk, dat hij daarbij ongetwijfeld de beloften van II Reg. VII 12—16 op het oog had; in dit geval is koning hier eensluidend met koninklijken stam.

Sluiten