Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

saecula: ante solen, permanet nomen ejus.

Et benedicentur in ipso omnes tribus terra?: omnes gentes magnificabunt eum.

18. Benedictus Dominus Deus Israël, qui facit mirabilia solus;

19. Et benedictum nomen majestatis ejus in aeternum: et*eplebitur majestate ejus omnis terra: fiat fiat. '

20. Defecerunt laudes David filii Jesse.

) Wie alom en gestadig zulken zegen aanbrengt, diens naam dient gezegend, dl* verheerlijkl*, te worden, en wel eeuwig; immers voor het aangezicht der zon, d.L eeuwig, duurt zijn naam voort. Hebr.: «Werpe zijn naam spruiten», d.i. moge de naam van Christus vuldira 1Cn Chri8tenen vermenig-

eeuwigheid! Voor het aanschijn van de zon duurt zijn naam voort15);

en gezegend zullen in Hem worden alle stammen van de aarde alle volken zullen Hem verheerlij-

18. Gezegend zij de Heer, de God van Israël, die wonderdaden doet alleen,

19. en gezegend zij de naam van zqne heerlijkheid voor eeuwig, en geheel de aarde zal met tqne heerlijkheid vervuld worden. Zoo zij het, zoo zij het!

20' Jelï!J**nde zi'n de lofzangen van DavH^den zoon van Jesse1*).

7 Uit dit onderschrift, dat hier enkel dient ten besluit van den tweeden bundel, blijkt, dat naar de opvatting des verzamelaars zoo niet alle, dan toch de meeste der voorafgaande Psalmen het' werk van David zijn. Dat er nog andere Psalmen van Dajtid in de volgende bundels voorkomen, wordt daardoor niet uitgesloten.

Sluiten