Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nihil invenerunt omnes viri divitiarum in manibus suis.

7. Ab inerepatione tua Deus Jacob dormitaverunt qui ascenderunt equos.

8. Tu terribilis es, et quis resistet tibi? ex tune ira tua.

9. De ccelo auditum fecisti judicium: terra tremuit et quievit.

10. Cum exsurgeret iq judicium Deus, ut salvos faceret omnes mansuetos terras.

11. Quoniam cogitatio hominis confitebitur tibi: et reliquise cogitationis diem festum agent tibi.

12. Vovete, et reddite Domino Deo vestro: omnes qui in circuitu ejus affertis munera.

Terribili

13. Et ei qui aufert spiritum principum, terribili apud reges terra?. I

en buit of zoo rijk aan macht en buit, lagen daar uitgestrekt met ledige handen. Hebr.: «En al die dapperen vonden hunne handen niet», d. i. waren met onmacht geslagen.

') Hebr.: «Zonken (strijd)wagen en paard in slaap». De Assyrische legers waren geducht door hunne strijdwagens en ruiterij.

*) Een uitroeping, waartoe voorzeker het gezicht van 175,000 lijken ruimschoots gelegenheid gaf.

•) Thans gaat de Psalmist overwegen,, welke de gevolgen en (v. 10) het doel waren van het beschreven godsgericht, dat van den hemel kwam gelijk bliksem en donder: geheel de aarde werd met ontzag vervuld.

") De Machtmoedigen zijn hier de verdrukte Israëlieten.

") Ook de boosaardige gedachten van den mensch worden door uwe beschikking dienstbaar aan uwe verheerlijking. Dat was het geval met het booze plan der Assyriërs; het bood God de gelegenheid om hunnen aanslag schitterend te verijdelen. Het overschot der gedachte is hier vermoedelijk datgene, wat van het mislukte ontwerp

I ronden al die mannen des rijkdoms in hunne handen.

7. Door uw dreigen, o God van Jacob, ontsliepen die rossen bestegen7).

8. Gij, Gij zijt geducht, en wie zal U weerstaan van net oogenblik uwer gramschap8) ?

9. Uit den hemel hebt Gij rechtspraak doen hooren; de aarde beefde en werd stil9),

10. toen God zich ten oordeel verhief om alle zachtmoedigen der aarde te redden10).

11. Want 's menschen gedachte zal ü verheerlijken, en het overschot der gedachte eenen feestdag vieren voor Uu).

12. Doet geloften aan den Heer, uwen God, en vervult ze, gH allen, die om Hem henen geschenken brengt

aan den Geduchte1*) 18. en aan Hem, die den adem1*) van vorsten wegneemt, die geducht bij des aardrijks koningen is.

van den Assyriër overgebleven was; ook dat zou nog door Gods toedoen verijdeld worden en aanleiding geven om eenen feestdag ter eere Gods te vieren. De grondtekst heeft wellicht ook in dien zin: «met de rest van den toorn (des vijands) omgordt Gij TJ (ten teeken uwer zegepraal)». Enkelen vertolken de Vulgaat hier in meer algemeenen sin: alle herinneringen van den mensch dienen TJ te verheerlijken.

") Een aansporing tot dankbaarheid, gericht tot de Israëlieten, die rondom Sion wonen; of waarschijnlijker een opwekking tot erkenning van Gods almacht, gegeven aan de heidenen, die om Judea wonen en (vgl. II Par. XXXII 22—23) na den oorlog geschenken aanbrengen.

ia) Door adem (geest) wordt, evenals Ps. CLII 29, het leven, de levensgeest bedoeld.

— De H. Augustinus en anderen zien In dezen Psalm een zegelied, door de Kerk van Christus, het tegenbeeld van Terusalem, of, volgens Bellarminus en mderen, door de uitverkorenen aangeheven na het overwinnen van alle zichtbare en onzichtbare vijanden.

Sluiten