Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13. Aquilonem, et mare tu creasti.

Thabor et Hermon in nomine tuo exsultabunt:

14. Tuum brachium cum potentia. Firmetur manus tua, et exaltetur

dextera tua:

15. Justitia et judicium praepararatio sedis tuas.

Misericordia et veritas praecedent faciem tuam:

16. Beatus populus, qui scit jubilationem.

Domine, in lumine vultus tui am* bulabunt.

17. Et in nomine tuo exsultabunt tota die: et in justitia tua exaltabuntur.

18. Quoniam gloria virtutis eorum tu es: et in beneplacito tuo exaltabitur cornu nostrum.

19. Quia Domini est assumptio nostra: et sancti Israël regis nostri.

20. Tune locutus es in visione sanctis tuis, et dixisti: Posui adjutorium in potente: et exaltavi electum de plebe mea.

13. Het Noorden en de Zee, Gij hebt ze geschapen.

Thabor en Hermon juichen in uwen naam10).

14. Uw arm is een machtige. Vast zij uwe hand, en uwe rechterhand verheffe zich11)!

15. Gerechtigheid en recht zijn de bevestiging van uwen troon.

Erbarming en waarheid gaan voor uw aangezicht uit12).

16. Gelukkig het volk, dat het jubelen kent.

Heer, in het licht van uw aanschijn wandelen zij"),

17. en in uwen naam juichen zij den ganschen dag, en door uwe gerechtigheid verheffen zij zich.

18. Want Gij, Gij zijt de roem hunner sterkte, en het is door uw welgevallen, dat onze hoorn zich verheft.

19. Want van den Heer komt onze bescherming, en van Israël's Heilige, van onzen Koning14).

20. f Toenmaals spraakt Gij in een gezicht tot uwe heiligen en zeidet: Dx heb hulp verleend aan eenen sterke, en Dx heb verheven eenen uitverkorene uit mijn volk15).

10) De (Roode) zee staat hier blijkens den grondtekst voor het Zuiden; de Thabor, ten westen, de Hermon, ten oosten van den Jordaan gelegen, duiden eveneens het Westen en het Oosten aan. De zin is: alle werelddeelen juichen in uwen naam, d. i. over de macht, waarmede Gij ze hebt geschapen.

") Een wensch, dat God nu zijne macht gebruike tegen zijne vijanden. De grondtekst heeft beter naar den samenhang: «sterk is uwe hand; (hoog) verheven (boven alles) uwe rechterhand».

") Gods troon, d. L zijne regeering, is gevestigd (zie Ps. XX noot 13) op de gerechtigheid en het reent; erbarming en trouw gaan als zijne dienaren voor Hem uit om de menschen te helpen. Vgl. Ps. LXXXIV 14.

'*) Gelukkig zijn wij, die uwe rechtvaardigheid, macht en trouw bij ondervinding kennen en ze met gejubel

weten te verheerlijken; wij wandelen enz., d. i. wij genieten voortdurend uwe gunst (vgl. Ps. XVII noot 4 en IV noot 9) en (v. 17—18) uwe gerechtigheid en goedheid brengen ons tot eene roemrijke grootheid en sterkte.

") Mogelijk echter ook: van Israël's Heilige (d. i. van God) komt de bescherming van onzen koning. Die bescherming is (v. 20—38) een uitvloeisel van Gods beschikking.

") Toenmaals, d. i. ten tijde, dat Gij de m v. 4—5 beknopt aangeduide belofte deedt. Deze volgt nu breedvoerig. Een gezicht is de gewone uitdrukking voor elke door God geopenbaarde voorspelling. De heiligen zijn hier of het volk, tot hetwelk God door Samuel en Nathan sprak, of wel deze profeten zelf. De grondtekst heeft «heilige» in het enkelvoud, d. i. David, die als de uitverkorene Gods en als de gezalfde geheiligd

Sluiten