Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32. Qui respicit terram, et facit eam tremere: qui tangit montes, et fumigant.

33. Cantabo Domino in vita mea: psallam Deo meo quamdiu sum. Infra CXLV 2.

34. Jucundum sit ei eloquium meum : ego vero delectabor in Domino.

35. Deficiant peccatores a terra, et iniqui ita ut non sint: benedic anima mea Domino.

32. die neder ziet op de aarde en haar doet beven; die de bergen aanroert, en zij rooken-4).

33. Zingen zal ik den Heer bij mijn leven; loven zal ik mijnen God op het psalter zoolang ik ben.

34. Aangenaam zij Hem mijn woord! Dx echter, ik schep geneugte in den Heer.

35. Mogen de zondaars verdwijnen van de aarde en de boosaardigen25), zoodat zij niet meer zijn! Loof,' mijne ziel, den Heer!

PSALMUS CIV. PSALM CIV.

Loflied op Gods trouw.

Opwekking tot verheerlijking van God fv. 1-7). die zijne belofte omtrent het bezit van Chanaan steeds trow* indachtig was en ze wonderbaar vervulde fv. 8—U). Daarvan getuigen zijne zorg voor de aartsvaders fv. 12—15) zijne leiding van Israël naar en in Egypte fv. 16-24), de straf der ' Egyptenaren en het uitleiden van zijn volk uit Egypte fv. 25—88) zijn bijstand in de woestijn fv. 39—42),èijne hulp bij de ' inbezitneming van Chanaan fv. 43—45).

Alleluia. fl Par. XVI 8). i Alleluia1).

1. Confitemini Domino, et invocate | 1. Looft den Heer en roept zijnen

**) Gods macht beperkt zich niet bij het scheppen. Hij ziet op de aarde neder, d. i. Hij blijft haar bestieren en zijne almacht en heerlijkheid openbaren. Het beven der aarde en het rooken der bergen is ongetwijfeld eene zinspeling op de teekenen van Gods almacht, die op den Sinaï zijne openbaring vergezelden. Vgl, Exod. XIX 18.

") De zondaars en boosaardigen erkennen Gods almacht nieten storen de door Hem gewilde orde; daarom wenscht en voorspelt de Psalmist, dat zij zullen vernietigd worden. In den grondtekst sluit deze Psalm met «Alleluia», d. i. looft den Heer! In de Septuagint en de Vulgaat begint daarmede de volgende Psalm.

— Hebr. I 7 haalt de Apostel v. 4 van dezen Psalm aan, om te wijzen op de dienstbaarheid der engelen tegenover de heerschappij van God den Zoon. — v. 30 wordt door Eusebius, Theodoretus en anderen aangezien als eene

voorspelling der algemeene verrijzenis en der hernieuwing van hemel en aarde (II Petr. III 13). Anderen, zooals Bellarminus en Dionysius Carthusianus, leggen het in den geestelijken zin uit van de (door de zondegestorven) zielen, die door de genade van den H. Geest herboren en vernieuwd worden.

') Deze Psalm is de eerste der twintig, die in de Septuagint en de Vulgaat «Alleluia» tot opschrift hebben. De inhoud is verwant met dien van Ps. LXXVH en XCVIII; deze dienen nochtans meer ter waarschuwing, terwijl Ps. CIV Israël opwekt tot lof, vertrouwen en gehoorzaamheid, opdat het benoude wat' God geschonken heeft. Gelijk Ps. CII Gods grootheid in de orde der genade en Ps. CIII zijne wijsheid in de orde der natuur verheft, zoo prijst Ps, OIV zijne trouw, waarvan de bewijzen geboekstaafd zijn in de geschiedenis van zijn volk. Blijkens I Par.

Sluiten