Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Ad videndum in bonitate electorum tuorum, ad lastandum in laetitia gentis tuas: ut lauderis cum hereditate tua.

6. Peccavimus cum patribus nostris: injuste egimus, iniquitatem fecimus. Judith VII19.

7. Patres nostri in iEgypto non intellexerunt mirabilia tua: non fuerunt memores multitudinis misericordiae tuae.

Et irritaverunt ascendentes in mare, Mare rubrum.

8. Et salvavit eos propter nomen suum: ut notam faceret potentiam I suam.

9. Et increpuit Mare rubrum, et exsiccatum est: et deduxit eos in abyssis sicut in deserto. Exod. XIV 21.

10. Et salvavit eos de manu odientium: et redemit eos de manu inimici.

11. Et operuit aqua tribulantes eos: unus ex eis non remansit. Exod. XIV 27.

12. Et crediderunt verbisejus: et laudaverunt laudem ejus.

13. Cito fecerunt, obliti sunt operum ejus: et non sustinuer unt consilium ejus.

5. opdat wij het geluk aanschouwen van uwe uitverkorenen; opdat wij ons verheugen over de blijdschap van uw volk* opdat Gij geprezen wordet met uw erfdeel5).

6. Gezondigd hebben wij met onze vaderen; onrechtvaardig hebben wij gehandeld, boosheid hebben wij bedreven6).

7. Onze vaderen in Egypte beseften uwe wonderdaden niet; zij waren niet gedachtig aan den overvloed uwer barmhartigheid,

en zij verwekten gramschap bij hun opgaan naar de zee, de Roode Zee7).

8. En Hij verloste hen om wille van zijnen naam, om zqne macht bekend te maken8).

9. En Hij dreigde de Roode Zee, en zij werd droog, en Hij leidde hen door diepten als door een woestijn.

10. En Hij verloste hen uit de hand van haters, en Hij kocht hen los uit de hand eens vijands.

11. En het water overstelpte hun verdrukkers; niet één van hen bleef over.

12. En zij sloegen geloof aan zijne woorden, en zij zongen zqnen lof*).

13. Haastig gingen zij te werk in het vergeten zijner daden en zij verbeidden niet zijn raadsbesluit10),

en heil, d. i. hulp en redding (vgl. v. 47), schenken.

*) Aanschouwen, d. i. met vreugde. Gods erfdeel is zijn volk.

•) Schuldbelijdenis om te erkennen, dat het veronachtzamen der Wet (vgl. v. 3) de oorzaak van alle rampen was.

") Reeds in Egypte vertrouwden de Israëlieten niet op Moses en Aaron (vgL Exod. V 21 en VI 9); zij gaven geene acht op Gods wonderdaden; zij hadden dus geen begrip daarvan en leerden niets daaruit. Erger oog: door Pharao nagezet op hunnen tocht naar de Roode Zee, morden zij tegen Moses (Exod. XIV 9—12) en verwekten daardoor gramschap bij God.

*) God verloste hen uit barmhartig¬

heid, maar ook om de eer van zijnen naam te handhaven en te doen zien, dat Hij de Almachtige is.

9) Bij het zien van den ondergang der Egyptenaren sloegen zij geloof aan de woorden, die Moses in den naam van God gesproken had over hunne verlossing uit de slavernij en over de inbezitneming van Chanaan; tot dankbetuiging zongen zij toen het loflied van Exod. XV.

**) Spoedig, na vermelde gebeurtenis, vergaten zij Gods wonderwerken en sloegen aan het morren, o. a. wegens gebrek aan water; daarbij wachtten zij niet af, hoe en wanneer God hen naar zijn raadsbesluit zou helpen. Vgl. Exod. XV 22—25.

Sluiten