Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Non crediderunt verbo ejus,

25. Etmurmuraverunt in tabernaculis suis: non exaudierunt vocem DominL

26. Et elevavit manum suam super eos: ut prosterneret eos in deserto: Num. XIV 82.

27. Et ut dejiceret semen eorum in nationibus: et dispergeret eos in regionibus.

28. Et initiati sunt Beelphegor: et comederuntsacrificiamortuorum.

29. Et irritaverunt eum in adinventionibus suis: et multiplicata est in eis ruina.

30. Et stetit Phinees, et placavit: et cessavit quassatio. Num. XXV 7.

31. Et reputatum est ei in justitiam, in generationem et generationem usque in sempiternum.

32. Et irritaverunt eum ad Aquas contradictionis: et vexatus estMoyses propter eos: Num. XX 10.

33. Quia exacerbaverunt spiritum ejus.

Et distinxit in labiis suis:

") Andere misdaad der Israëlieten: zij sloegen geloof aan de leugenachtige berichten omtrent het begeerlijke land van belofte; zij telden dit voor niets, omdat zij Gods woord, d. i. zijne beloften, niet geloofden en zij wilden naar Egypte terugkeeren.

% Vgl. Num. XIV 1 volg.

»') Ten eed. Zie Num. XIV 21 en 29—32.

") Met deze straf werd de ontrouw van Israël bedreigd, o. a. Lev. XXVI 33 en Deut. XXVIII 64.

") Zij lieten zich inwijden m de geheimen van den ontuchtigen godsdienst der Moabieten, wier afgod Baal of Beel vereerd werd op den berg Phegor of Phogor (Hebr.: Pe'or) en die daarom Beelphegor genoemd wordt. Ook aten zij van de offers, die aan de dooden, nl. aan de houten of steenen afgoden, waren opgedragen, en pleegden daardoor afgoderij. ,

**) Hunne ontwerpen, Hebr.: «hunne misdaden». Bij die gelegenheid werden

zij geloofden zijn woord niet19),

25. en zij morden in hunne tenten, zij gaven geen gehoor aan de stem des Heeren20);

26. en Hij verhief zijn hand boven hen-1) om hen neder te vellen in de woestijn

27. en om bun zaad weg te werpen onder de heidenen en hen te verstrooien door de landen22).

28. En zij wijdden zich toe aan Beelphegor, en zij aten offers der dooden*8).

29. En zij tergden Hem door hunne ontwerpen24), en menigvuldig werd bij hen de ondergang.

30. En Phineês stond op en bevredigde, en de teistering nam een einde*5)

31. en het werd hem tot gerechtigheid aangerekend, van geslacht tot geslacht, tot in eeuwigheid.

32. En zij tergden Hem bij de Wateren der tegenspraak, en Moses leed kwelling om hen26).

33. Want zij verbitterden zijnen geest,

en hij sprak het uit met zijne lippen27).

24,000 man gedood. Vgl. Num. XXV 9.

") De heilige ijver van den vromen Phinees (Num. XXV 7—8) verzoende God met Israël (Num. XXV11), maakte een einde aan de teistering, d. i. aan den ondergang (v. 29) des volks, en werd hem (v. 31) door God tot gerechtigheid aangerekend (zie Gen. XV noot 5), zoodat Hij in zijn welgevallen hem en zijne nakomelingen met het hoogepriesterschap bleef bekleeden (Num. XXV 13). Phineës was de zoon van Eleazar, in wiens geslacht het opperpriesterschap erfelijk bleef tot aan Heli en vervolgens wederom van den tijd van Salomon tot aan dien der Machabeën.

M) Vgl. Ps. LXXX noot 6. Het morren der Israëlieten was een kwelling voor Moses of wel: het gaf hem (vgl. Num. XX 10—12) aanleiding tot den twijfel, ten gevolge van welken hij tot zijne kwelling het Beloofde Land niet mocht betreden.

") De zin is of wel: zij verbitterden

Sluiten