Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17. Non mortui laudabnnt te Domine: neque omnes, qui descendunt in infernum. Ps. VI6; Baruch II17.

18. Sed nos qui vivimus, benedicimus Domino, ex hoe nunc et usque in saeculum.

17. Niet de dooden zullen U loven, o Heer, en niet zij allen, die nederdalen in het doodenrijk.

18. Maar wij, die levenj wij loven den Heer van nu af tot in eeuwigheid.

PSALMUS cxrv.

PSALM CXIY.

Liefde en vertrouwen.

De Psalmist bemint God, die hem in zijnen nood en op zijn gebed steeds hulp verleent (v 1—4). God is de helper der kleinen (v. 5—6); dat ts voor den zanger een aansporing tot rust (v. 7). God redde hem van dood en gevaren (v. 8). Hij zal hem sparen in de toekomst (v. 9).

Alleluia.

1. Dilexi, quoniam exaudiet Dominus vocem orationis mea?.

2. Quia inelinavit aurem suam mihi: et in diebus meis invocabo.

3. Cireumdederunt me dolores mortis: et pericula inferni invenerunt me.

Tribulationem et dolorem mveni:

4. Et nomen Domini invocavi.

O Domine libera animam meam:

Alleluia1).

1. Liefde heb ik — omdat de Heer de stem mijner smeeking verhoort2),

2. want Hij neigde zijn oor tot mij — en in mijne dagen zal ik mijne roepstem verheffen8).

3. Mij omgaven s-ervensweeëh, en gevaren der hel overvielen mij1);

kwelling vond ik en smart;

4. en den naam des Heeren riep ik aan:

o Heer, red mijne ziel!

ligdom en heerschappij té maken, waren profetische beelden der verlossing uit de slavernij van den duivel en der veel grooter wonderen, waardoor God het geheele menschdom, met name de heidenen, tot zijn uitverkoren heiligdom en koninkrijk, nl. tot zijne Kerk, maakte. Daarom beschouwen de HH. Vaders, o a de HH. Athanasius, Augustinus en Hiëronymus, alsook Theodoretus en Eusebius, dezen. Psalm als een voorspelling van de wonderbare uitverkiezing der geloovigeh, of wel als eene dankzegging der Kerk, gepaard met een gebed om verdere uitbreidmg.

q In den Masorethischen tekst staat dit aan het slot van den yprigen Psalm en vormen Psalm CXIV-CXV der Vulgaat (als Psalm 116) een geheel. In de Septuagint en de Vulgaat zqn

zij gescheiden, alhoewel de nommering der verzen van Ps. CXIV in Ps. CXV doorloopt. De geschiedkundige aanleiding van beide Psalmen is onbekend, evenals de reden, waarom zij bijeengevoegd of gescheiden zijn. Sommigen meenen, dat in beide Psalmen de zanger in naam van het geheele volk spreekt, om God na de ballingschap te danken voor de redding van het bedreigde volksbestaan.

*) Liefde heb ik, nl. tot God, die mij geholpen heeft; een betuiging van den zangér, maar tevens een opwekking voor anderen om eveneens God te beminnen. ,

*) Tot God om bijstand. Met het smeekgebed, dat de Psalmist al znne levensdagen wil verrichten, wordt hier tevens een lof- en dankgebed bedoeld.

*) Vgl. Psalm XVII noot 5 en 6.

Sluiten