Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

119. Praevaricantes reputavi omnes I 119. Voor overtreders houd ik alle peccatores terra): ideo dilexi te- zondaren der aarde82), daarom heb stimonia taa. ik uwe getuigenissen liet

120. Confige timore tuo carnes 120. Doornagel mijn vleesch met meas: a judiciis enim tuis timui. vrees voor TJ, want voor uwe oor-

I deelen ben ik beducht88).

AÏN.

Ik bemin recht en plicht; geef mij niet prijs aan mijne vijanden (v. 121—122). Ik zie uit naar de door U beloofde hulp (v. 123). Wees mij een barmhartige helper en leeraar fv. 124), want ik ben uw dienaar, die uw onderricht noodig heeft fv. 125). Het is tijd daartoe, want uwe Wet wordt geschonden fv. 126). Ik echter heb ze boven alles lief fv. 127), ik leef naar uwe geboden en haat alle onrecht fv. 128).

121. Feci judicium et justitiam: non tradas me calumniantibus me.

122. Suscipe servum tuum in bonum : non calumnientur me superbi.

123. Oculi mei defecerunt in salutare tuum: et in eloquium justitia) tua).

124. Fac cum servo tuo secundum misericordiam tuam: et justificationes tuas doce me.

125. Servus tuus sum ego: da mihi intellectum, ut sciam testimonia tua.

126. Tempus f aciendi Domine: dissipaverunt legem tuam.

127. Ideo dilexi mandata tua, super aurum et topazion.

128. Propterea ad omnia mandata tua dirigebar: omnem viam iniquam odio habui.

121. Recht en gerechtigheid betracht ik; lever mij niet over aan die laster daden plegen tegen mij.

122. Help uwen dienaar op tot heil84); laat geene trotschaards lasterdaden tegen mij begaan.

123. Mijne oogen smachten naar uw heil en naar de uitspraak van uwe gerechtigheid85).

124. Doe met uwen dienstknecht naar uwe barmhartigheid en leer mij uwe verordeningen.

125. Uw dienstknecht ben ik; geel mij verstand, opdat ik uw getuigenissen kenne.

126. Het is tijd tot handelen, ^ o Heer; zij hebben uwe Wet te niet gedaan.

127. Daarom bemin ik uwe geboden meer dan goud en dan topaas86).

128. Daarom richt ik mij naar al uwe geboden; ik haat eiken ongerechten weg.

•*) Voor overtreders, nl. uwer Wet, die dus strafwaardig zijn; of voor afgedwaalden. Hebr.: «als (metaal-) slakken neemt Gij weg de zondaars der aarde», d. i. in het vuur van uw gericht scheidt Gij hen als onedele metaalslakken van de gerechten, die als goud en' zilver zijn.

M) Beducht voor Gods oordeelen en straffen verlangt hij naar eene vreeze Gods, die ook zijn vleesch kruisigt en in bedwang houdt en hem vrijwaart

I tegen Gods kastijdingen. Hebr.: «van vrees siddert mijn vleesch».

M) Bescherm mij, want ik dien U. Vgl. noot 16. "*) Vurig verlang ik de hulp te zien, I die Gij naar uwe gerechtigheid in de Wet beloofd hebt aan wie in nood is en U aanroept.

M) Daarom, d. i. dewijl ik zeker ben, dat Gij zult handelen. Door topaas, een meestal vuurgele edelsteen, wordt I hier waarschijnlijk de chrysoliet of

Sluiten