Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

I

CAPUT CXXIII.

HOOFDSTUK CXXIII.

Lof en dank aan God, onzen redder 1

Zonder Gods hulp hadden onze vijanden ons vernietigd fv. 1—4), want groot was het gevaar, dat wij liepen fv. 6); maar wij werden gered door God fv. 0—7), wiens almacht de zijnen beschermt fv. 8).

1. C anti cum graduum.

Nisi quia Dominus erat in nobis, dicat nunc Israël:

2. Nisi quia Dominus erat in nobis,

Cum exsurgerent hommes in nos,

3. Forte vivos deglutissent nos:

Cum irasceretur furor eorum in nos,

4. Forsitan aqua absorbuisset nos.

5. Torrentem pertransivit anima nostra: forsitan pertransisset anima nostra aquam intolerabilem.

6. Benedictus Dominus qui non dedit nos, in captionem dentibus eorum.

7. Anima nostra sicut passer erepta est de laqueo venantium: laqueus contritus est, et nos liberati sumus.

8. Adjutorium nostrum in nomine Domini, qui fecit ccelum et terram.

1. Een gezang der opgangen1). Ware niet de Heer met ons geweest, zegge nu Israël2),

2. Ware niet de Heer met ons geweest,

toen menschen zich verhieven tegen ons3),

3. zij zouden ons wel levend hebben ingeslikt4).

Toen hunne woede tegen ons ontstak,

4. zou het water ons wel hebben ingezwolgen5);

5. — door eenen stortvloed heen is onze ziel gegaan — onze ziel zou wel door onweerstaanbare wateren heen gegaan zijn6).

6. Gezegend zij de Heer, die ons niet overleverde ten roof aan hunne tanden7)!

7. Onze ziel is als een musch ontkomen aan den strik der vogelaars; de Strik is stukgebroken en wij, wij zijn bevrijd.

8. Onze hulp is in den naam des Heeren, die den hemel en de aarde heeft gemaakt8).

') Zie Psalm 119 noot 1. De grondtekst heeft hier: «van David». Is dit juist, dan betuigt deze, dat hij alleen door Gods hulp ontsnapt is aan de aanslagen van Saül of Absalom of wellicht veeleer aan een verwoeden aanval der naburige volken. Meestal echter houdt men dezen Psalm voor eene dankbetuiging der teruggekeerde bannelingen, die erkennen, dat alleen Gods hulp zijn volk van den ondergang vermocht te redden.

*) Het «nunc» der Vulgaat kan hier, evenals in Ps. CXVII 2—4, wel niet anders vertaald worden dan door «thans», nl. nu het gevaar voorbij is. Naar den grondtekst en de Septuagint beteekent het veeleer toch.

*) Menschen, nl. onze vijanden; toch waren het slechts menschen, terwijl Hij, die ons helpt, de Almachtige is (v. 8).

*) Zoo groot was hunne woede en overmacht.

*) Het water is een beeld van zoo menig gevaar, dat zij (v. 5) te doorworstelen hadden en dat hen ongetwijfeld zou hebben doen omkomen.

•) Onze ziel, d. i. wij; wij zijn gegaan door eenen stortvloed van gevaren, die, zonder Gods hulp, ons onweerstaanbaar ten verderve gesleept hadden.

q Der vijanden van v. 2—3, die hier onder het beeld van verscheurende dieren, in v. 7 onder dat eens vogelaars worden aangeduid.

*) Wij komen alle gevaren te boven,

I

Sluiten