Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMUS CXXXVU.

PSALM CXXXVII.

Dankzegging en betuiging van vertrouwen.

Eere zij Ood voor zijne hulp, die Hij ook in de toekomst moge verleenen (v. 1—3)1 Mogen alle vorsten Hem loven om zijne openbaring, zijne heerlijkheid, zijne getrouwheid en alwetendheid (v. 4—6)! Ood blijve hulp verleenen ter voltooiing van zijn werk (v. 7—8)!

1. Ipsi David.

Confitebor tibi Domine in toto corde meo: quoniam audisti verba oris mei.

In conspectn Angelorum psallam tibi:

2. Adorabo ad templum sanctum tuum, et confitebor nomini tuo.

Super misericordia tua, et veritate tua: quoniam magnificasti super omne, nomen sanctum tuum.

3. In quacumque die invocavero te, exaudi me: multiplicabis in anima mea virtutem.

4. Confiteantur tibi Domine omnes reges terra?: quia audierunt omnia verba oris tui:

(v. s—6) de Psalmist, welke gevoe- i lens hen hier beneden dienen te bezielen. Door de idumeërs (v. 7) worden dan naar den H. Angustinus de wereld schgezinden; door de Babyloniërs (v. 8a) de duivelen; door hunne «kleinen» (v. 8ö) hunne handlangers, de vervolgers der Kerk, bedoeld, die tegen Christus, den «steen des aanstoots», zullen verpletterd worden (vgl. Matth. XXI 44).

q De inhoud van den Psalm is met dit opschrift niet in tegenspraak. Mogelijk heeft David hem gezongen na een of meer schitterende, met Gods hulp behaalde overwinningen, die hem en anderen een bekrachtiging moesten zijn der hem gedane beloften van II Reg. VU 12—16. In dien zin is de Psalm profetisch evenals Ps. XVII, XX, LX. De Septuagint heeft «van David, van Aggeüs en Zacharias», misschien omdat die profetea dezen Psalm na de ballingschap als danklied deden bidden.

1. Van David1).

Loven zal ik TJ, o Heer, met gansch mijn hart, omdat Gij gehoord hebt naar de woorden van mijnen mond2).

Voor het aangezicht der engelen3) zal ik U prijzen op het psalter.

2. Aanbidden zal ik voor uwen heiligen tempel, en loven zal ik uwen naam*)

om uwe goedertierenheid en uwe trouw; want verheerlijkt hebt Gij boven alles uwen heiligen naam5).

3. Op welken dag ook ik U aanroep, verhoor mij; vermeerder in mijne ziel de kracht6)!

4. Dat U, Heer, alle koningen der aarde loven, omdat zij alle woorden van uwen mond gehoord hebben7)!

*) Omdat Gij enz. ontbreekt o. a. in den grondtekst.

') De grondtekst heeft hier «elohim», dat hier «de goden», beteekent, waaronder misschien de overheidspersonen (vgl. Exod. XXII 9) of de vorsten (vgl. Ps. LXXXI noot 1), volgens de Vulgaat daarentegen de engelen bedoeld zijn.

«) Zie Ps. V noot 6.

') Naar de Septuagint en de Vulgaat is de sin: Gij hebt uwen heiligen naam, d. i. de heiligheid van uw wezen (vgl. Ps. VIII noot 4), m al zijne heerlijkheid doen schitteren, nl. door uwe wonderdadige hulp (zie v. 4). Het Hebr. kan beteekenen: «Omdat Gij groot gemaakt hebt boven al uwe namen uw woord», d. L uwe mij verleende hulp heeft uwe trouw boven al uwe eigenschappen, of: uwe belofte (zie noot 1) heeft uwe grootheid meer dan ooit doen schitteren.

*) Hebr.: «Ten dage, dat ik riep, verhoordet Gij mij, maaktet Gij mij moedig, (was er) kracht in mijne ziel.»

') Door woorden van Gods mond

Sluiten